Rebellie met een grimlach

De plaatsnaam Wehrda, afgeleid van een versterkte kerktoren, belooft niets goeds. De sfeer in dat plaatsje in het Duitse Hessen is zo verstikkend dat de radio zowat de enige ontsnappingsroute is van het jongetje dat zijn gemoed lucht in De zondag waarop ik wereldkampioen werd, een novelle van de Duitse schrijver F.C. Delius. In het domineesgezin, waarin die jongen samen met zijn broer en zusjes opgroeit, kan de alomtegenwoordige God immers ook rekenen op de assistentie van zijn aardse handlangers, want ‘het oog van God was ook aanwezig in de ogen van mijn vader, mijn moeder en grootouders en verveelvoudigden het oog van God, er keken te veel ogen op mij neer’.

Het is 1954. De laatste soldaten van Hitlers Wehrmacht zijn uit krijgsgevangenschap teruggekeerd. Van diegenen die omgekomen zijn wordt gezegd: ‘Overal stond wel een gesneuvelde zoon, vader of broer in een pijnlijk geworden uniform ingelijst op een gehaakt kleedje verwijtend naar de kruimeltaart op de bordjes van de nabestaanden en hun bezoek te kijken.’ Op de Joodse begraafplaats wordt niemand meer begraven. Terloops vernemen we dat er nog altijd vluchtelingen uit het oosten afzakken, een windrichting die fysiek nabij, maar psychologisch veraf is, want al achter de Stoppelsberg begint ‘het verre land dat uit louter boosaardige o’s bestond, Oostzone, rood en dood’.

Waar de baarlijke duivel niet loert, daar duikt het spook van het communisme op, belichaamd door Walter Ulbricht, die over ‘de duistere Oostzone’ heerst, een gebied dat de vrome grootouders van het vertellende jongetje voorgoed verloren hebben.

De zondag waarop ik wereldkampioen werd, , is echter geen pure afrekening met het ouderhuis, hoe benepen dat ook is. De treurigheid van de situatie wordt verdiept door de spitse, tegendraadse formuleringen. Neem nu de manier waarop de moeder, die de kinderen tijdens het smeren van de boterhammen berispt met de woorden ‘niet te dik, niet te veel, niet te snel’, uiteindelijk zelf aan het maal deelneemt: ‘En toen ze eindelijk een hap nam, deed ze dat zo behoedzaam dat ze bang leek de botten van een levend wezen te breken’.

Tijdens het ontbijtritueel hangt een loden sfeer in de kamer die het religieuze ritueel parodieert, want ‘door op het brood te kauwen, kauwden we ook op onze eerbied voor het brood’. Delius slaagt er voortdurend in om de stijve sfeer te breken in zinnen waarin de verteller zijn verdoken rebellie met een grimlach ventileert: ‘Ik droomde van een maaltijd met alleen levensmiddelen die niet door Gods genade waren vergiftigd, en pakte mijn derde boterham.’

De introverte opstandigheid van de verteller bewijst dat zijn geest nog niet uit de fles is. Maar zijn rebellerende spiritus zoekt al een uitweg: het jongetje lijdt niet alleen aan een huidziekte die schubvlecht heet (en die de indruk wekt dat hij eerder bij de vissen en de insecten thuishoort), maar hij is ook een onverbeterlijke stotteraar, die wenst dat de woorden niet meer met een ‘t’ of een ‘p’ beginnen, maar alleen maar uit klinkers zouden bestaan.

Ook op deze zondag, waarop hij door beierende klokken wordt gewekt, wordt de jongen gedompeld in een bad van tegenstrijdige emoties waarin zijn minderwaardigheidscomplex met zijn gevoel van vermeende superioriteit rivaliseert: hij is te zwak om de verwachtingen van de volwassenen in te lossen, maar voelt zich desondanks een uitverkorene omdat hij de kleinzoon van een zendeling en de zoon van een dominee is: ‘Ik behoorde tot degenen aan wie het beste deel van de wereld was toegevallen en die voor de hemel waren bestemd.’

Niettemin overheerst het gevoel dat hij uitgeleverd is aan de kilte van een wereld die zelfs door zijn moeder zelden verholpen wordt. Het jongetje mist overdag de liefdevolle stem van haar slaapliedjes met hun toon van geborgenheid. Zelfs de literatuur is geen toeverlaat, want onder de kerktoren met zijn galmende klokken voelt de verteller zich verraden door de dichter – het is Goethe – wiens Die wandelnde Glocke gaat over een jongen die door een kerkklok wordt achtervolgd omdat hij de eredienst verzuimt: ‘Wat viel er van de literatuur te verwachten als ze aan de kant stond van degenen voor wie ik sidderde en stotterde, en ze korte metten maakte met de hoop op iets nieuws (…).’

En toch gaat deze sensibele en gaaf vertaalde novelle uiteindelijk over de bevrijding van de jonge verteller uit de ‘taalhel’ en de ‘vaderkooi’, een rebellie waardoor de macht van de ouders wordt teruggebracht tot de banale proporties van het dorp. Die reddende doorbraak in de weidse wereld valt de zoon ironisch genoeg te beurt tijdens een preek van zijn vader. Bij de woorden ‘de kracht en de heerlijkheid’ schieten de jongen niet de Vader en de Zoon in de hemel te binnen, maar de helden van het Duitse voetbalelftal dat zich opmaakt voor de strijd om het wereldkampioenschap tegen Hongarije. Het fascinerende voetbalverslag van een Duitse radioreporter maakt deze initiatie in de verovering van de vrijheid af. Na de match staat de jongen op het pleintje, dol van vreugde, ‘bereid om me in elke richting te wenden behalve die van het huis waaruit ik was gekomen.’

Delius toont niet alleen in zijn novellen en romans, maar ook in zijn gedichten en essays op een eigengereide manier aan dat er veel meer continuïteit dan breuk in de Duitse naoorlogse geschiedenis zit. Maar de eigenheid van deze schrijver schuilt toch in het unieke woord, een vermogen waarvan hij zichzelf bewust is, getuige dit citaat uit zijn dankwoord voor de Georg Büchner-prijs in 2011: ‘Uiteindelijk beslissen in de literatuur, ongeacht het genre, alleen de zinnen, de zin. De energie en de onrust die zich tussen twee punten ontplooien.’