Plots is Afrika toch een markt

Het kabinet wil bedrijven helpen om Afrika te ver- overen door hulp aan handel te koppelen. Een gedurfd plan, dat met scepsis werd ontvangen.

Spar supermarkt in Maputo, de hoofdstad van Mozambique – één van de snelst groeiende economieën in Afrika. Foto Sven Torfinn

Wie geld wil verdienen moet in Afrika zijn. Daar worden Nederlandse bedrijven zich langzaamaan bewust van. Van de tien snelst groeiende economieën ter wereld, liggen er zes in Afrika.

Bedrijven zien dat er kansen liggen, maar twijfelen wanneer ze de stap zullen wagen. De risico’s zijn groot. Banken zijn terughoudend in het verstrekken van leningen, waardoor de rente hoog is. En in veel landen functioneert de markt niet naar behoren of moet die zelfs nog gecreëerd worden.

Minister Lilianne Ploumen (Ontwikkelingssamenwerking en Buitenlandse Handel, PvdA) wil bedrijven helpen om Afrika te veroveren door handel te koppelen aan hulp. Een gedurfde combinatie, die zowel door hulporganisaties als het bedrijven met scepsis werd ontvangen.

Farah Karimi, directeur van Oxfam Novib, concludeerde dat Ploumen „de markt centraal stelt en niet langer de mensen”. „Een weeffout”, oordeelde VNO-NCW voorzitter Bernard Wientjes.

Bij de presentatie van het Amsterdam Initiative against Malnutrician (AIM) woensdag in Den Haag waren heel andere geluiden te horen. De zaal van het ministerie van Buitenlandse Zaken was gevuld met zakenlieden en ontwikkelingswerkers, die het nu eens roerend met elkaar eens waren. „Ambitieus” en „innovatief” waren woorden die veelvuldig vielen. Bedrijfsleven was geen scheldwoord meer, maar een onmisbaar ingrediënt voor een succesvol project.

Het AIM is een project zoals Ploumen het graag ziet. Er zijn 25 partijen bij betrokken: bedrijven (Unilever, DSM, AkzoNobel, Spar, Rijkzwaan, Rabobank), hulporganisaties (ICCO, Hivos, SNV, GAIN), de Keniaanse overheid en Afrikaanse bedrijven (Phillips Healthcare Services, Africa Bio Medica, Kinangop).

Het doel is dat in 2015 100 miljoen mensen in Afrika niet meer lijden aan ondervoeding. Om dit te bereiken zijn tien afzonderlijke projecten bedacht in Kenia en Zuid-Afrika, van het introduceren van een nieuw merk drinkwater tot het verrijken van populaire, lokale snacks met vitaminen en mineralen. Samen omvatten ze de hele voedselketen, van de boer tot de supermarkt. Maar hoewel het doel ideëel is, doen de bedrijven mee uit commerciële motieven.

„De projecten zijn gericht op mensen weinig geld”, zegt Marc van Ameringen, directeur van GAIN, die het project coördineert. „Veel bedrijven zagen niet hoe die projecten winstgevend konden worden. Hoe zorg je dat producten betaalbaar zijn als de investeringskosten zo hoog zijn? Kleine projecten waren in het verleden wel succesvol, maar opschalen was een groot probleem.”

De oplossing van het AIM is samenwerking. Zo kan het risico gespreid en kennis gedeeld worden. Hulporganisaties en instellingen zoals Wageningen Universiteit beschikken over veel kennis. Daar kunnen bedrijven gebruik van maken. Zo wil de SPAR meer groente van boeren afnemen, maar die moeten dan wel meer produceren. Hier kunnen de landbouwexperts bij helpen.

Het budget bedraagt 25 miljoen euro. De helft komt van het ministerie, de rest van de bedrijven zelf. Dit geld komt in een investeringsfonds, te beheren Rabobank Foundation.

Projecten krijgen geen subsidie, maar een lening tegen gunstige rente. „Wij trekken investeerders aan, zodat projecten niet ophouden als de financiering stopt”, zegt Marianne van Duin van Rabobank. „We kijken mee met de projecten en geven in een vroeg stadium aan waar de hiaten zitten. En we kijken mee. Als een project over drie jaar niet uit de pilotfase is, is het ook niet rendabel.”

Het moeilijkste wordt om een nieuwe groep consumenten aan te spreken, die weinig te besteden heeft. Het succes van microkrediet en mobiele telefonie in Afrika bewijst dat dit mogelijk is. „Dit project leert ons hoe we een product moeten introduceren bij deze doelgroep”, zegt Robert van der Heuvel, hoofd nieuwe bedrijfsontwikkeling bij DSM. „Ik heb zoveel projecten in het water zien vallen doordat er door subsidies geen sprake was van een marktprijs. Commercie is essentieel.”