Is er wel crisis in de architectuur?

‘Conceptuele’ architectuur is passé, stelt het 26ste Jaarboek Architectuur. Maar dat is voorbarig.

Toen de credit crunch vijf jaar geleden uitmondde in een economische crisis die de Nederlandse bouw en architectuur hard raakte, voorspelden diverse architecten dat de tijd van de grootscheepse nieuwbouw voorbij was. In de nabije toekomst zou het steeds meer gaan om hergebruik. Ook zou het particuliere opdrachtgeverschap, zoals eigenbouw tegenwoordig heet, belangrijker worden, zo verwachtten ze. Eindelijk zou het tijdperk van het Wilde Wonen aanbreken.

De dertig gebouwen, die nu met foto’s en projectbeschrijvingen in het nieuwe, 26ste Jaarboek Architectuur in Nederland worden gepresenteerd, laten zien dat de voorspelling is uitgekomen. Tien van de dertig, die door de vierkoppige redactie zijn uitverkoren, zijn verbouwingen en uitbreidingen van bestaande gebouwen, zoals het vernieuwde Rijksmuseum in Amsterdam dat het omslag siert. De helft van de veertien woningbouwprojecten zijn particuliere woningen, waaronder het Streepjeshuis van GAAGA in Leiden.

Het lag dan ook voor de hand dat een van de redacteuren in het jaarboek ruim aandacht zou schenken aan de gevolgen van de crisis voor de architectuur in een van de vier essays. Maar nee, de aanhoudende crisis, die nu al de helft van de 15.000 architecten die Nederland eens telde zijn baan heeft gekost, speelt slechts een kleine rol in het jaarboek.

Zo schreef de Delftse assistent-hoogleraar Tom Avermaete een pompeus artikel over de vormgeving van ingangen van publieke gebouwen. Hierin haalt hij tal van antropologen en filosofen aan over ‘gebaren’ en ‘symbolen’, noties die volgens hem van groot belang zijn voor een goed begrip van ingangen. Ten slotte komt hij tot de conclusie dat het ontwerpen van een ingang een ‘zoektocht is naar eloquente sprakeloosheid’, een diepzinnig klinkende, maar betekenisloze oxymoron.

Redactielid Hans van der Heijden, zelf architect, interviewde de Duitse architect Hans Kollhoff, van wie twee kantoortorens in het centrum van Den Haag in het jaarboek zijn opgenomen. Kollhoff zingt, heel onverwacht, de lof op Nederlandse aannemers en noemt de naoorlogse, modernistische buitenwijken van Nederlandse steden fiasco’s waar geen cent meer in moet worden gestoken.

Projectontwikkelaar Edwin Oostmeijer betreurt in zijn bijdrage dat architectuur steeds meer is verworden tot ‘het doen van een huidje’, zoals hij het ontwerpen van alleen gevels noemt: een verschijnsel waarover architecten en critici al sinds de Renaissance klagen.

Alleen de kunsthistorica Linda Vlassenrood stipt de crisis aan in haar essay dat de vermoedelijk onbedoeld grappige titel ‘Architectuur met een kleine boodschap’ kreeg. ‘Door de economische malaise entameren bottom-up initiatieven de discussie over de rol van de architect’. Hiermee bedoelt ze dat architecten door de crisis een bescheidener rol zullen spelen in de bouw. De crisis bespoedigt ook het einde van spectaculaire ‘iconen’ en de ‘conceptuele architectuur’, waarin Nederlandse bureaus als Koolhaas’ OMA en MVRDV de afgelopen twintig jaar excelleerden, lijkt ze te willen zeggen in haar door een overmaat aan jargon ontsierde artikel. In plaats van de conceptuele geweldenaars komen nu veelal jonge architectenbureaus op, als ZECC en korth tielens architecten. De jongeren keren zich af van de grote gebaren en richten zich meer op de details en de ambachtelijke kant van architectuur.

Niet alleen door Vlassenroods essay maar vooral door de keuze van gebouwen is het 26ste jaarboek Architectuur in Nederland een pleidooi tegen iconen en voor ambachtelijkheid geworden. Maar het is nog maar de vraag of de tijd van ‘conceptuele iconen’ nu echt voorbij is. In ieder geval had de oogst aan iconen in het jaarboek groter kunnen zijn dan die nu is. Om de Badkuip, de iconische uitbreiding van het Amsterdamse Stedelijk Museum van Benthem Crouwel architecten, en het nieuwe, even iconische, filminstituut Eye van de Oostenrijkers Delugan & Meissl, ook in Amsterdam, kon de redactie niet heen: het zou bespottelijk zijn als deze spraakmakende gebouwen het jaarboek niet hadden gehaald.

Maar ook de Boekenberg, de nieuwe bibliotheek in Spijkenisse, en de Glazen Boerderij, een opzienbarend gebouw met winkels in Schijndel, hadden niet mogen ontbreken. In beide gebouwen heeft het Rotterdamse bureau MVRDV een nieuwe wending gegeven aan iconische architectuur. Want terwijl iconen tot nu toe doorgaans spectaculaire, ‘fuck-the-context’-gebouwen waren, passen beide gebouwen juist heel goed in hun omgeving. Maar MVRDV is nu eenmaal Nederlands conceptuele bureau bij uitstek en zijn architectuur past uiteraard niet in een jaarboek dat het einde van iconen in de Nederlandse architectuur aankondigt.