Een permanente camping

Kenia is het land van safari’s, stranden en vluchtelingenkamp Kakuma Een permanent verblijf voor 100.000 ontheemden Er zijn de typische tenten, maar ook hutjes, markten en scholen

A Third and Final Home-[Documentary Summary: The twelve-thousand Somali Bantus living in the Kakuma refugee camp have the perversely unique distinction of being a thrice-displaced people. Situated in the northeastern corner of Kenya, Kakuma has been the Bantus' latest home after being forcibly displaced several times: first by the eastern African slave trade several hundreds of years (to enslavement in Somalia) and second by the disintegration of the state of Somalia in 1991 (to refugee camps in Kenya). Barred from returning to their ancestral homeland, the Bantus are on the move again, this time to the United States, in what will remain their permanent new home. I traveled to Kakuma in the Spring of 2004 to document life in the refugee camp as well as the Somali Bantus long-awaited journey to their new home.] -Untitled Photograph-As the punishing sun begins to heat up the morning, a lone Somali Bantu biker cuts through the "streets" of Kakuma, past houses made of mud-brick and topped with tin roofs. Tufts University

‘Wilt u nog iets extra’s bestellen?” Nee bedankt, de enorme lading Ethiopisch eten die voor onze neus staat is al een uitdaging om weg te werken. De 19-jarige Congolees Rodriguez Manembo kan zijn geluk niet op en eet totdat hij bijna brakend niet meer kan. Even later schuiven we de plastic stoelen weg, groeten de Ethiopische eigenaar van restaurant Franco en knipperen tegen het felle zonlicht als we buiten komen. Aan weerszijden van het zandpad staan winkeltjes, fietsenmakers, kappers en een supermarkt. Mensen lopen, fietsen of scheuren per motor langs.

Welkom in vluchtelingenkamp Kakuma, de plek in het noordwesten van Kenia die bijna 100.000 mensen hun thuis noemen. De brakke tentjes die we voor ogen hadden zijn in werkelijkheid hutjes gemaakt van klei met een golfplaten dak. Met hoge heggen van doornstruiken bakenen vluchtelingen hun terrein af. Het ziet eruit als een camping waar mensen al veel te lang zitten – in de woestijn dan wel, omgeven door schorpioenen, slangen en spinnen. Sommige mensen wonen hier al twintig jaar.

„Eten in dat restaurant is echt niet voor de ‘normale’ vluchteling hoor. Ik eet er nooit, dat is alleen voor de rijken en de hulpverleners weggelegd”, zegt vluchteling Rodriguez grijnzend, Hij ziet er hip uit in zijn witte T-shirt, lichte jeans en bijpassende nep-Puma’s. Bij elke gelegenheid kijkt hij even of zijn haar goed zit en checkt Facebookupdates met zijn smartphone, die hij heeft gewonnen bij een filmmakerswedstrijd in het kamp.

Maar geld heeft Rodriguez nauwelijks, hij leeft normaal gesproken van het eten dat VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR tweemaandelijks uitgeeft. Vluchtelingen mogen namelijk niet werken en geld verdienen, de Keniaanse overheid staat dat niet toe. Ze zijn bang dat de 600.000 vluchtelingen in het land (100.000 in Kakuma, 500.000 in Dadaab, vlakbij de grens met Somalië) banen van Kenianen inpikken.

Liever honger dan onderwijs

Een economie is hier dan officieel ook niet. Maar onofficieel des te meer. ‘Rijkere’ vluchtelingen krijgen geld van familieleden in het buitenland en zetten kleine winkeltjes op in het kamp. Baantjes bij de hulporganisaties die in het kamp werken zijn populair. Al is het maximumsalaris voor iedereen omgerekend 50 euro per maand. „Of je nou een dokter bent of de straat aanveegt, voor iedereen is het gelijk”, zegt Rodriguez.

Het zorgt voor creatieve manieren om aan levensbehoeften te komen. De Zuid-Soedanese Joseph Jal (18) en zijn broers verkopen een deel van hun eten om schoolspullen te kopen. Liever honger dan geen onderwijs, luidt het motto. En dan te bedenken dat het uitgedeelde eten sowieso al nooit genoeg is. Of neem de 21-jarige Sara Rostina uit Congo. Ze vluchtte op haar achttiende met haar twee kleine kinderen voor een levensgevaarlijke familieruzie. Niets had ze en drie monden moest ze voeden. „Ik wist het echt niet meer, ik wilde eigenlijk niet meer leven. Hoe overleef je hier?” Ze besloot met mannen naar bed te gaan in ruil voor eten.

Teruggaan naar huis is voor Sara geen optie – net als voor vele andere vluchtelingen. Hun hoop ligt op hervestiging, een bijna magisch woord in Kakuma. Elk jaar nodigen overheden van onder andere Amerika, Engeland en Nederland vluchtelingen uit. Die krijgen een soort greencard, en de kans om een nieuw leven op te bouwen in die landen. Nederland nodigt elk jaar zo’n vijfhonderd vluchtelingen uit, een handjevol daarvan komt uit Kakuma. Rodriguez checkt elke vrijdag de nieuwe lijsten die op de verschillende aankondigingsborden in het kamp hangen. Als je naam ertussen staat is de kans groot dat je opgeroepen bent voor een interview dat kans biedt op zo’n greencard. Zijn naam stond er tot nu toe niet tussen.

Rodriguez neemt ons ondertussen achterop twee motorfietsen mee naar de plek waar hij 4,5 jaar geleden aankwam. Samen met zijn twee broers vluchtte hij voor het geweld in zijn geboortestreek Goma, in het oosten van Congo. Onderin een vrachtwagen werden ze Kenia in gesmokkeld, met als eindbestemming Kakuma. Of zijn ouders nog leven weet hij niet. Hij bidt elke dag voor ze.

Kraampjes vol groenten

We kijken onze ogen uit terwijl we langs een markt rijden met kraampjes vol groenten en fruit. We racen schooltjes voorbij, waar zowel basis- als middelbaar onderwijs wordt gegeven. Na een paar kilometer neemt het aantal hutjes af, de bomen worden schaarser, totdat we dwars door de woestijn rijden. In de verte doemen witte stipjes op. Het zijn de tentjes die we kennen van de vele foto’s. De plek voor de ‘new arrivals’ zoals ze dat hier zeggen.

Rodriguez kwam, net als alle vluchtelingen, aan in het ‘ontvangstcentrum’ van Kakuma. Er staan barakken waarin mensen ongeveer twee weken verblijven en met tientallen families op de grond slapen. Ze krijgen uitleg hoe het leven in het kamp werkt, daarna krijgen ze een tentje aangewezen.

De tentjes zijn opgebouwd door UNHCR. Vluchtelingen krijgen een kooksetje en een soort bakvorm waarmee ze met water en klei bakstenen kunnen maken om een muurtje om het tentje heen te bouwen. UNCHR geeft ze golfplaten voor het dak. Klaar om de gevaren van dit terrein voor langere tijd aan te kunnen. Helaas zijn dat niet alleen de schorpioenen.

Het land waarop Kakuma’s vluchtelingenkamp staat behoort oorspronkelijk aan de Turkana-stam toe, een traditioneel nomadisch volk. De Turkana leven onder erbarmelijke omstandigheden; het is hard werken om aan water en eten te komen in het desolate woestijngebied. Dat er twintig jaar geleden ineens 100.000 vreemdelingen op hun stuk land kwamen wonen, viel niet in goede aarde. Deze vluchtelingen hoefden bovendien niets te doen om aan eten, drinken en gezondheidszorg te komen. In 2010 kwam het tot een bloedig conflict tussen vluchtelingen en Turkana. Ook afgelopen zomer ging het mis, het leger moest eraan te pas komen om de rust te herstellen. „Ze beroven en vermoorden vluchtelingen, het is echt vreselijk”, gromt Rodriguez.

Vooral het kale, unheimische deel van Kakuma met de nieuwere hutjes gaat gebukt onder de overvallen. Nimo Dirir Mohamed (32) uit Somalië weet hoe het is. Trillend zit ze te midden van haar kinderen in haar hutje. „Vannacht kwam er een groep mannen binnen, ze waren gewapend. Ze namen alles mee, het beetje geld dat ik verstopt had in de matrasjes en al het eten!” Vooral dat laatste is een ramp – pas over tien dagen wordt er weer voedsel uitgedeeld.

We rijden met Rodriguez terug naar de plek in het kamp waar mensen al jaren wonen. Waar de ‘rijkere’ vluchtelingen hun zaakjes runnen. Waar mensen al jaren elke vrijdag de lijsten op de prikborden nagaan in de hoop dat hun naam ertussen staat. Kakuma is een plek die er voor een deel niet eens meer als ‘traditioneel’ vluchtelingenkamp uitziet, het is een stad op zichzelf geworden. Een permanente ‘camping’ waar hoop en wanhoop hand in hand gaan.

Enkele weken later belt Rodriguez. Geëmotioneerd fluistert hij: „Mijn naam staat op de lijst”.

Sara Rostina en Nimo Dirir Mohamed wilden om veiligheidsredenen niet met hun echte naam in de krant.