Een oude huid afstropen

Hugo Claus sprak ooit zijn ergernis uit over het feit dat veel van het literaire vernuft dat hij in zijn romans stopte door geen mens werd opgemerkt. Deed hij al die moeite om niet zomaar een vrouwelijk personage in een boek te stoppen, maar eentje die de heilige maagd Maria symboliseerde, viel dat niemand op!

Voor Robbert Welagen geldt eigenlijk het omgekeerde. Hij creëert omstandigheden en personages die schreeuwen om een abstracte lezing, maar laat vervolgens de lezers die op de uitnodiging ingaan een doodlopend straatje inlopen. In Verre vrienden (2009) wilde een jongen een tuin waarin geen taal doordrong niet verlaten. De Hof van Eden? Je overwoog het, maar keerde op je schreden terug toen een verdere uitwerking uitbleef.

In datzelfde Verre vrienden zuigen een paar jongvolwassenen in een klaslokaal op lolly’s. Freud? Nee, waarschijnlijk gewoon een lekkere lolly, want verdere aanwijzingen ontbreken. En Porta Romana (2011), Welagens voorlaatste roman, werd in deze krant getypeerd als een ‘schijnthriller’: je telde na een paar pagina’s de ingrediënten bij elkaar op en dacht een thriller in handen te hebben, maar dat werd het in de pagina’s die volgden nooit. Welagen speelt niet zozeer met de codes van het geschreven woord, als wel met de vooringenomenheid van de lezer van dat geschreven woord.

Postmodern

Je zou kunnen zeggen dat Welagen dit uitgangspunt in zijn eerste vier romans en novelles aan de westgrens verkent, en dat hij dat in zijn laatste roman aan de oostgrens doet. Was zijn eerste werk nog volledig vrij van Welagen himself, in Het verdwijnen van Robbert mengt hij ‘zichzelf’ in de strijd, wat het boek een venijnig maar aangenaam randje geeft. Zichzelf staat in de vorige zin nogal postmodern tussen aanhalingstekens, maar dat kan nu even niet anders. Welagen zit namelijk in dit boek, maar zo ongeveer zoals een illusionist nog (of: al) in een kooi zit voordat het doek ervanaf getrokken wordt: je vermoedt het, maar zeker weten doe je het niet.

In de roman beschrijft Welagen de ‘Robbert Welagen’ die net zijn debuutnovelle Lipari heeft uitgebracht. Dit boek verscheen in 2007 ook daadwerkelijk en werd met een debuutprijs bekroond. De ideale start voor een beginnend schrijver, zou je denken, maar Welagen laat Welagen hierover zeggen: ‘Intussen won ik voor Lipari een debuutprijs, mijn uitgever geloofde in mij en critici noemden me een ‘‘aanstormend talent’’. Ik was er desondanks al mee opgehouden.’

Wat volgt is een dikke 100 pagina’s kaal en openhartig proza waarin Welagen de bijl in zijn, op dat moment, prille schrijverschap zet. Maar het gaat verder dan dat schrijverschap, want Welagen spreekt in het boek de wens uit te willen verdwijnen uit zijn volledige ‘leven’. ‘Liever dan een personage in een verhaal te laten verdwijnen, wilde ik zelf verdwijnen.’

Dat uitgebotte van de stijl, die zo afwijkt van wat je van de schrijver Welagen gewend bent, zorgt er vervolgens voor dat dit verhaal aannemelijk wordt, dat je, met andere woorden, het verhaal van de schrijver Robbert Welagen aan gaat zien voor het verhaal over de schrijver Robbert Welagen. Eén op één dus.

‘Robbert Welagen’ verkoopt zijn hebben en houwen in Nederland en bouwt in een Noord-Duitse plaats een nieuw bestaan op. Hij werkt in een fabriek aan de lopende band en legt het aan met Traudl, een vrouw van middelbare leeftijd. Wanneer een privédetective hem opspoort en hem sommeert terug te keren naar zijn familie in Nederland, ziet hij zich echter genoodzaakt om ook Duitsland te verlaten. Hij wil niet terug, hij wil zijn oude huid definitief afstropen.

Eenlingen

In zijn vervolgreis door Oost-Europa lukt dat hem grotendeels en zien we opnieuw dat Welagen er ontzettend goed in is om personages ‘buiten de tijd’ te plaatsen. Zijn personages, en dus ook deze ‘Robbert Welagen’, zijn ware eenlingen omdat ze niets nastreven wat de mensen om hen heen nastreven. Ze zijn er, maar er is geen sprake van een wil die zich ergens op richt.

Alleen de herinnering aan Chloe, een meisje dat ooit zijn liefde weigerde, blijft ‘Robbert Welagen’ teisteren. En we hebben dan ook de clou van Het verdwijnen van Robbert aan háár te danken. In het tweede deel van het boek, dat de laatste vijftig pagina’s beslaat, meldt ‘Robbert Welagen’ zich per telefoon bij deze Chloe, waarmee de verdwijning die in deel één van de roman beschreven werd, teniet wordt gedaan.

Maar niet zoals u nu wellicht verwacht. Het moet maar niet weggegeven worden, maar laten we het er op houden dat de schrijver Welagen er op doortrapte wijze in slaagt om zich deze verdwijning weer toe te eigenen door het onder de handen van de lezer weg te trekken. De biechtstoel waar Welagen in romandeel 1 op leek te zitten is al die tijd leeg geweest. Zoals Porta Romana een schijnthriller was, is dit boek een schijnbekentenis. Welagen heeft zijn schrijverschap er grondig mee vernieuwd.