Een nieuwe oorlog, een nieuwe grens

omein van smokkelaars, inzet van strijd tussen nationaliteiten, grillige lijn die vastligt op de kaart maar in werkelijkheid onophoudelijk verandert en wordt betwist: dat is een grens in het algemeen. Zo is het ook met de grens tussen Nederland en Duitsland, België en langs de Noordzeekust, hoewel we het ons niet altijd realiseren.

Voor de VPRO maakte schrijver Tommy Wieringa onlangs een serie avontuurlijke reportages langs die grenzen, van ‘het laatste huis van Nederland’ in de Groningse noordoostpunt tot de Vlaams-Nederlandse schermutselingen over de Hedwige-polder. Inspiratiebron van Wieringa’s reis was een omvangrijk boek, De Grens. Langs de randen van Nederland, geschreven door Enno de Witt (1960).

De huidige grens is jong; in 1813 kreeg het Koninkrijk der Nederlanden zijn contouren, en in 1830 zorgde de afscheiding van België in het zuiden voor een geheel nieuwe grens. Grenzen volgen een eigen, soms bizarre logica. In het Nederlandse Baarle, dat tweeëntwintig kleine Belgische enclaves telt, loopt de grens dwars door het Cultureel Centrum. Het Nederlandse adres luidt: Pastoor de Katerstraat 7, Baarle-Nassau. In België vervoegt men zich aan de Pastor de Katerstraat 5, Baarle-Hertog.

Nog in 1976 kwam het tot een grensconflict: in België mocht men alleen de gekuiste versie van Turks Fruit zien. Nederland was ruimdenkender. Het Cultureel Centrum zette juist op de grens een schot neer. Aan Nederlandse zijde kon iedereen genieten van de hele film. ‘De Belgische politie hield alles vanaf eigen grondgebied scherp in de gaten’, noteert De Witt.

De Witt, journalist in Deventer, is onstuitbaar in zijn enthousiasme. Met historische details en gevoel voor drama geeft hij aan elke kilometer grens betekenis. Maar soms is de overdaad aan kennis te overweldigend. Een ander klein bezwaar is dat De Witt geen strakke methode volgt en soms enorme, licht duizelig makende sprongen in de tijd maakt. Zo beschrijft hij eerst het oudste Nederlandse grenstraktaat over de strook tussen Coevorden tot Losser, maar één alinea verderop zijn we vijf eeuwen verderop, bij de toestand van de Twentse textielindustrie in 2003.

Tegelijkertijd maakt deze vorm ook duidelijk dat grenzen even arbitrair als complex zijn. In Limburg volgt de grens de natuurlijke loop van de Maas. Dan weer is een grens het resultaat van vechten of onderhandelen, zoals de kaarsrechte oost-rand van Drenthe bij Emmer-Compascuum. Een nieuwe oorlog, een nieuwe grens.

Kruiskuilen

Op veel landkaarten is de grens ingetekend als een rij kruisjes. Die hebben een interessante oorsprong: van oudsher vormden zogeheten ‘kruiskuilen’ de markering: ondiepe kuilen in de grond met een vierarmige wegwijzer. Grenzen zijn, aldus De Witt, meer dan alleen die fysieke scheiding, en juist daarom zijn ze zo betwist en beladen met verhalen.

De Witt, als verteller overigens minder nadrukkelijk aanwezig dan Wieringa, begint zijn reis bij Lobith aan de Rijn en reist met de klok mee het land rond. Daarbij laat hij zich inspireren door een caleidoscoop aan mondelinge, historische en geografische bronnen. Aangrijpend is de ‘heftigste grensafzetting’ die de Duitsers in de Eerste Wereldoorlog langs de zuidgrens spanden. Hier liep de ‘Dodendraad’, een versperring van ijzerdraad met een spanning van 2000 volt, die aan honderden mensen het leven heeft gekost, onder wie smokkelaars en mensen die naar de neutrale Nederlanden wilden vluchten.

Een fraai voorbeeld van landjepik tussen Nederland, België en Duitsland is Moresnet, een vlek bij Vaals met een zinkmijn, die geen van de drie buren elkaar gunde. Daarom werd in 1816 de gemeente Moresnet uitgeroepen tot neutraal gebied, met een onafhankelijke mijnexploitant. In die tijd had Nederland een vierlandenpunt.

Eemsmonding

Ook de contouren van lucht- en zeegrenzen veranderen voortdurend. Sinds 1464 twisten Nederland en Duitsland bijvoorbeeld over de grens in de Eemsmonding. De kwestie is actueel omdat het Duitse energiebedrijf EWE voor de kust een nieuw windmolenpark wil bouwen in gebied dat volgens Rijkswaterstaat aan Nederland toebehoort.

Met kanonskogels stelde men in 1839, kort na de Belgische Opstand, de grens bij Maastricht vast. Vanaf de Tongersepoort werd een schot in de richting van België gelost. Even voorbij de inslag werd de grens getrokken; het idee was dat de rivalen elkaar zo niet konden treffen. Sinds 2005 hebben Nederland en Vlaanderen hun stellingen betrokken rond de Hedwigepolder in Zeeuws-Vlaanderen. De Vlaamse deelregering, maar ook natuur- en vogelbeschermers willen de polder onder water zetten, ter compensatie van wetlands die verloren gaan door het uitdiepen van de Westerschelde. Dat moet Antwerpen voor grote schepen bereikbaar houden.

Het besluit is genomen, maar de commotie erover is nog altijd niet geluwd. De Witt concludeert: ‘Uiteindelijk gaat het erom wie het binnen onze grenzen voor het zeggen heeft.’ In dit ene zinnetje schuilt het hele drama rondom iets dat zo eenvoudig lijkt: een landsgrens.