Een dosis angst en een scheut waanzin

Hanneke van Eijken: Papieren veulens. Prometheus, 56 blz. € 17,95***

Kijk, daar zien we een groep eilanden liggen. Hoe maak je eigenlijk zo’n archipel? ‘Het vormen van een archipel / is minder moeilijk dan het lijkt’, weet dichteres Hanneke van Eijken (1981). Gooi maar eens wat eilanden in zee, ‘alsof je een volle hand knikkers loslaat’.

Doe er wat vis bij, en wat vissersboten, en een paar straatjes aan een oever, zodat daar later een leuk haventje kan ontstaan – dan ben je al bijna klaar. Voor een God, doende met zijn schepping, moet het niet moeilijk zijn. Het gedicht van Van Eijken, ‘Schepping’, is vanuit zo’n goddelijk scheppingsperspectief geschreven. ‘Voeg nu dolfijnen toe, wacht / op reisgidsfotografen’ – en daarmee is het recept voor een archipel gegeven.

Het is een speels en luchtig geval, dit gedicht. Zo zijn er meer in Papieren veulens, haar debuutbundel. Er is een gedicht over de kinderlijke verwondering over de maten en verhoudingen van het menselijk lichaam, de wereld, het heelal. En over de vraag hoe de plek met de naam ‘elders’ eruit zou zien. Er is een welkomstgedicht voor een pasgeborene, al even onbevangen van toon. Van zulke gedichten kan je je voorstellen dat het de papieren veulens zijn die de dichteres in haar gedichten wil zien: springerige, jonge dieren, die nu door hun schepper de wereld worden ingestuurd om te kijken of hun hoefjes hen al kunnen dragen.

Maar ze zijn niet allemaal zo fris en onschuldig. ‘Manieren’ is een lange opsomming van ‘manieren om niet te sterven’. Ook dat heeft eerst nog wel iets kinderlijks en grappigs: ‘zo overleefden vorig jaar 153 mensen het drinken van een fles parfum niet’. En: ‘wereldwijd sterven jaarlijks ongeveer 150 mensen / door een vallende kokosnoot’. Maar hoe langer de opsomming duurt, hoe dreigender de bewering wordt. Het onderzoekende en inventariserende gedicht met zijn oorspronkelijke invalshoek gaat over in een portret van een dwangstoornis: ‘ik slaap vaak met een gevarenhamer / aan een touwtje / om mijn nek.’ Er zijn meer van dit soort gedichten waarin ergens een draadje los zit: een dosis angst, een zweem horror, een scheut waanzin.

Het gaat in deze bundel nog alle kanten op. Soms is het poezelig, soms vaag dichterlijk, soms te ingewikkeld om te volgen. Het is moeilijk om er iets overkoepelends over te zeggen. Er staan in ieder geval genoeg gedichten in dit debuut die benieuwd maken naar een vervolg. Ik las een akelige weerwolffantasie. En een droevige monoloog, bijna een liedje, van een oude verwarde man die maandenlang met zijn overleden vrouw leefde. Waar gebeurd. Ik las een verslag van een geënsceneerd begrafenisritueel, uitgevoerd in de eigen tuin, met een zelfgegraven kuil. Misschien ook wel waar gebeurd. Jeugdherinnering? Doodsverlangen? ‘Het is nu alleen een kwestie van gaan liggen […] wachten tot ik gevonden word.’