De Sovjet-Unie baadt in gruwelijke nuchterheid

In Isaak Babels verhalen gaat in naam van het socialisme een wereld van harmonie verloren. In een nieuwe, mooie vertaling wordt Babel volledig recht gedaan.

Russian peasant girls offer berries to visitors to their izba, a traditional wooden house, in a rural area along the Sheksna River near the small town of Kirillov, Russia, 1909. (Photo by Sergey Prokudin-Gorsky/Galerie Bilderwelt/Getty Images) Getty Images

Eigenlijk zit de hele literaire kracht van Isaak Babel besloten in de eerste alinea van zijn korte verhaal ‘Bij onze hoofdman Machno’ uit 1924. Die gaat zo: ‘Zes mannen van Machno hadden ’s nachts een dienstmeid verkracht. Toen ik het de volgende ochtend hoorde, besloot ik te gaan kijken hoe een vrouw eruitziet na een zesvoudige verkrachting. Ik trof haar aan in de keuken. Ze stond over een tobbe gebogen de was te doen. Het was een dik meisje met blozende wangen. Alleen een kalm bestaan op de vruchtbare Oekraïense aarde kan een jodin volgieten met zulke koeiensappen, haar gezicht zo’n vettige glans geven. De benen van het meisje, dik, steenrood, bolrond opgezet, roken weezoet, als pas gesneden vlees. En ik had de indruk dat van haar maagdelijkheid van gisteren alleen haar wangen over waren, die meer gloeiden dan anders, en haar neergeslagen ogen.’

Van een dienstmeid die zes keer is verkracht, verwacht je toch iets anders dan dat ze daags na die ingrijpende gebeurtenis haar leven weer hervat en hoogstens aan de wastobbe het verlies van haar maagdelijkheid betreurt. Dat de verteller broodnuchter besluit om eens naar haar te gaan kijken alsof het een geblust buurtbrandje betreft en vervolgens constateert dat haar benen ‘als pas gesneden vlees’ ruiken, versterkt de morbide kracht van dit twee bladzijden lange verhaal eens te meer.

En alsof het nog niet genoeg is, heeft de verteller het daarna over de loopjongen van de Oekraïense partizanenleider Machno, die bekent dat hij tijdens de gangbang het hoofd van het dienstmeisje vasthield en geen zin meer in haar had toen híj eindelijk van zijn meerderen over haar heen mocht. Dan volgt nog even een sneer naar de verkrachters als zogenaamde helden die het ‘allemaal achter de ellebogen’ hebben, waarna de verteller eindelijk het verborgen leed van de dienstmeid beschrijft: ‘De jodin hief haar rood aangelopen gezicht op van de tobbe, keek de jongen heel even aan en liep de keuken uit met de moeizame tred van een cavalerist die na een lange rit zijn verstijfde benen op de grond zet.’

Dat pas gesneden vlees, het onbevangen ramptoerisme van de verteller, dat nonchalante vasthouden van dat meisjeshoofd, die uitgeputte cavalerist – stuk voor stuk zijn het elementen die Babels verhalen zo uniek maken.

Je kon dat natuurlijk al weten uit Charles B. Timmers vertaling uit 1979, die velen een levenslange Babelverslaving bezorgde. Sommigen leerden zelfs Russisch om dat sobere en tegelijkertijd flonkerende proza, met rijke beelden als ‘Aan de hemel laaiden tedere branden op’, ‘Boven het dorp hangt geweeklaag’ of ‘De sluiers van de slag trokken richting de stad’, in het origineel te kunnen lezen.

Maar dat origineel bleek razend moeilijk te zijn. De behoefte aan een goede Nederlandse vertaling nam door die handicap dus alleen maar toe, zeker als je het strakke Russisch van Babel naast het bloemrijke, soms oubollige en onjuiste Nederlands van Timmer legde en je vermoeden alsmaar sterker werd dat de vertaler het origineel ernstig tekort deed, zo niet verkrachtte.

Zo staat bij Timmer: ‘Zes Machno-mannen hebben in de afgelopen nacht het dienstmeisje geschoffeerd. Toen mij dit de volgende ochtend ter ore kwam, wilde ik wel eens zien, hoe een vrouw er na zes maal verkracht te zijn uitzag. [...] Alleen het langzaam voortkabbelende leven op de vruchtbare Oekraïense bodem kan een jodin met zulke rundersappen doortrekken en aan haar gezicht zo’n talkachtige glans verlenen. Van de benen van het meisje, rood als bakstenen, bolrond als twee ballen, ging een weezoete geur uit als van pas gehakt vlees.’

Als je die paar zinnen vergelijkt met de aan het begin van deze recensie geciteerde alinea, vertaald door Froukje Slofstra, valt je op hoe veel soepeler die loopt. Dat ‘vertalen wat er staat’ is door haar bovendien met veel eerbied voor het Russische origineel gedaan. Ik durf dan ook best te beweren dat Slofstra, die in 2007 de prestigieuze Aleida Schotprijs kreeg voor haar vertaling van Vasili Grossmans roman Leven & Lot, met Babels Verhalen opnieuw laat zien hoe uitzonderlijk groot haar talent is. Dat uitgeverij Van Oorschot nu niet alleen Babel, maar ook haar toelaat tot de Russische Bibliotheek is dan ook meer dan terecht.

Als basis voor haar vertaling heeft Slofstra de Russische editie van Babels verzameld werk in vier delen uit 2006 gebruikt. Het goede daaraan is dat de verhalen daar in thematisch-chronologische volgorde worden gepresenteerd, zodat je al lezend de ontwikkeling van Babels talent kunt volgen.

Anders dan bij Tsjechov, in wiens vroege werk zijn scherpe gevoel voor het absurde van het menselijk bestaan weliswaar al overtuigend aanwezig is, maar waar het meesterlijke niveau van latere verhalen als ‘Zaal nr. 6’ en ‘Mijn leven’ nog niet wordt gehaald, is het bij Babel meteen raak. Ook zijn allereerste verhaal ‘De oude Sjloime’ (1913) is namelijk al perfect in zijn nuchtere gruwelijkheid – wat Babels handelsmerk zal worden. Het gaat over een oude, door iedereen vergeten Jood, die op een dag van zijn zoon te horen krijgt dat zijn familie uit huis wordt gezet. Sjloime besluit zich niet te laten verjagen. En dan komt dat mooie, gruwelijke slot, zoals alleen Babel je dat kan opdienen: ‘Sjloime maakte snel het touw vast aan de haak, ging naast de deur staan, zette het krukje neer, klom er moeizaam op, wond het touw om zijn magere bibberende hals, schopte met zijn laatste krachten het krukje weg, liet zijn uitdovende ogen nog één keer over het stadje gaan dat hij zestig jaar niet had verlaten, en hing zich op.’

De Timmervertaling, die bij Meulenhoff verscheen, begint met De Rode ruiterij, de verhalencyclus over de Poolse veldtocht van de bolsjewieken in 1920, die Babel als oorlogscorrespondent voor legerkrant De Rode cavalerist aan het front in Galicië versloeg. In De Rode ruiterij observeert hij de wereld van het geweld. In plaats van de opgewekte retoriek in het kader van het verkondigen van de stralende toekomst van het socialisme, die veel fictie uit de eerste decennia van de Sovjet-Unie zo oervervelend maakt, is er bij Babel slechts cynisme, dat zich uit in het koelbloedig beschrijven van de wandaden en de onverschilligheid van de soldaten met wie hij optrekt. Voor oorlogsverslaggevers, die op een gegeven moment net zo onverschillig zijn voor de dood om hen heen, is het allemaal heel herkenbaar.

En natuurlijk zijn er de verhalen over de traditionele Joodse wereld waar Babel vandaan komt en waar de intimiteit van het gezin regelmatig verstoord wordt door de wrede niet-Joodse buitenwereld, bijvoorbeeld tijdens de pogrom in ‘De geschiedenis van mijn duiventil’.

Een van de mooiste van die verhalen is ‘Het ontwaken’. Het gaat over een jongetje dat door zijn ouders naar vioolles wordt gestuurd, omdat ze hopen dat hij een wonderkind is en rijk kan worden. Maar het ventje heeft geen spat talent en brengt zijn tijd liever door in de haven waar zijn viool in het zand bij een golfbreker verdwijnt. Alles is in zo’n helder ritme geschreven en door Slofstra even transparant vertaald, dat je naar een Bach-partita lijkt te luisteren.

Maar ook de schetsmatige verhalen uit het Petrograd van 1918 zijn in hun nieuwe vertaling meer dan de moeite waard. Ze hebben zelfs aan kracht gewonnen en lijken daardoor een extra gruwelijk inzicht te geven in de bolsjewieken die over geen enkel greintje menselijkheid blijken te beschikken en alleen maar uit zijn op verwoesting van het oude. Executies van edelen, hongersnood, plundering, wreed antisemitisme, diefstal – Babel beschrijft het zonder mededogen, maar eigenlijk is in al zijn verhalen de Joodse pacifistische intellectueel aan het woord die geweld, en daarmee ook de bolsjewieken, afwijst.

Die onverhulde kritiek op de nieuwe heersers blijkt ook uit latere verhalen als ‘Gapa Goezjva’ en ‘Kolyvoesjka’, uit begin jaren dertig’. Ze gaan over de collectivisatie van de landbouw in Oekraïne waarbij miljoenen boeren zijn omgekomen. Opnieuw laat Babel hier het uitroeien van een harmonieuze wereld zien door aanhangers van een onmenselijke ideologie.

In de mooie, adequate en zingende vertaling van Slofstra blijkt des te meer dat dat moorden in naam van het socialisme vanzelfsprekend is. En precies dát wilde Babel laten zien, ook al keurde hij het af. Je begrijpt dan ook meteen waarom Babel in 1940 door Stalins geheime politie is geëxecuteerd, want iemand die zonder er omheen te draaien de waarheid beschreef kon op geen genade rekenen.