Ceci n’est pas une frontière

Wat betekent een grens? Voor de bewoners van toen en nu, de middenstand, smokkelaars en voor Belgische schrijvers? De laatsten hebben er iets mee. Tommy Wieringa ook, en die raakte geboeid door weer een ander grensoverschrijdend boek.

angs de Frans- Belgische grens, tussen RisquonsTout/Rekkem en de kustplaatsen Bray-Dunes en De Panne, staan nog vijf verweerde grenspaaltjes met aan Franse kant een F en aan Belgische kant een N gebeiteld. Ze dateren uit 1819, toen dit deel van wat nu België heet even bij het Koninkrijk der Nederlanden hoorde. Andere paaltjes daar hebben aan de ene kant de Franse lelie en aan de andere de dubbele adelaar van het Habsburgse Rijk. Ze bakenen hetzelfde stukje grens af, maar dateren uit 1713, toen bij de Vrede van Utrecht het toenmalige Frans-Vlaanderen van de Oostenrijkse Nederlanden werd overgeheveld naar Frankrijk.

De driehonderdste verjaardag van de Vrede van Utrecht was voor de Vlaams-Nederlandse Stichting Ons Erfdeel een mooie gelegenheid om een stevig boek uit te brengen over de grens, die in drie eeuwen op enkele details na niet meer is gewijzigd. Wat rest er nog van die grens in het eengemaakte Europa, welke invloed heeft de grens gehad op bewoners aan beide zijde?

Historici, schrijvers uit de grenssteek en de fotografen Michiel Hendryckx, Stephan Vanfleteren en Michaël Depestele illustreren wat de grens voor hen nog betekent, of ooit heeft betekend. Het boek is prachtig vormgegeven, met een grijze kaft met die N aan de ene en de F aan de andere kant.

Ondanks het definitieve verlies van een stuk Vlaanderen, met als belangrijkste stad Lille/Rijsel, wordt de grens niet alleen door Franse, maar ook door Vlaamse schrijvers met liefde beschreven. Dit is een grens die de overgang regelt en niet verhindert, die de sterke punten van de buren in de verf zet, nieuwsgierig maakt naar de andere kant, naar de buur die wel een andere, in de meeste gevallen vreemde taal spreekt, maar toch zo vertrouwd is.

Want zelfs in een gespleten stad als Wervik/ Wervicq-Sud, waar de rivier de Leie de natuurlijke grens vormt tussen beide landen, zorgt de ene brug voor een vlot grensverkeer. Dit is niet de Nieuwe Brug over de Ibar in Mitrovicë/Mitrovica, waar Albanese Kosovaren en Serviërs nog af en toe slag leveren en elkaar soms letterlijk naar het leven staan. Neen, in Wervik wordt handel gedreven, ook al is dat de laatste jaren door het afschaffen van Europese binnengrenzen én de crisis, flink afgenomen. Vroeger smokkelde men hier volop tabak en margarine naar de Franse zijde, en sterke drank naar de Vlaamse kant. Nu nog komen de Fransen aan Vlaamse kant sigaretten en bonbons kopen.

De moderne grens is ook een aaneenschakeling van winkels van de pralineketen Leonidas, zoals de Vlaming Wim Chielens treffend beschrijft in een van zijn reisverhalen over de grensplaatsen. Een van die winkels is gehuisvest in een oud douanekantoor, in het midden van de weg tussen Adinkerke en Bray-Dunes. If it’s Leonidas, this must be Belgium! Vaak is alleen aan dat soort clichés, aan de schreeuwerige lichtreclame van de tabakszaken of de namen van cafés als Au Douane, nog te merken dat hier een grens wordt overschreden.

Schrijfster Anne Provoost, opgegroeid in Poperinge, vertelt in een autobiografisch verhaal over haar ontgoocheling toen ze voor het eerst, in de tijd dat douaniers nog met verrekijkers naar smokkelaars speurden, te voet de andere kant van de grens opzocht. Als ze met haar ouders de grens passeerde moest je een vraag beantwoorden, herinnert ze zich. ‘Altijd dezelfde. Het wachtwoord was steevast ‘‘Non, monsieur”, en dan kon je doorrijden. Waren het vijanden, of net als wij Geuzen? ‘‘Eigenlijk zijn het Vlamingen”, zei mijn vader. Maar als het Vlamingen waren, waarom vroegen ze dan onveranderlijk: ‘‘Vos papiers s’il vous plaît”?’

Dit was niet het Frankrijk van de zomervakanties, maar een grap: alles zag er nog precies eender uit als aan de Vlaamse kant. Ook al kon je er niets aanvangen met de munten uit je zakken, de ‘Schreve’, zoals Westhoekers de grens noemen, bleek toch eerder een farce. Ceci n’est pas une frontière. Als je naar Nederland ging zag je het verschil vanaf de eerste klinker, hier veranderde zichtbaar niets.

En toch heeft de grens betekenis. Ze maakt nieuwsgierig en cultureel rijker. Voor grensbewoners is het buitenland evident, want zo vlakbij. De Noord-Franse schrijfster Annie Degroote, nu wonend in Parijs, schrijft over de heerlijke spanning die ze op zondagen voelde als ze met haar ouders boter of chocolade mee smokkelde. En over haar prille verwondering over dat bord langs de snelweg van Rijsel naar Duinkerke: ‘Vous êtes en Flandre’.

Je verlaat een land maar je komt in hetzelfde land terecht, waar alleen een andere taal wordt gesproken. Fransen vragen Degroote wel eens naar haar ‘vreemde’ familienaam. Maar haar voorouders waren Vlamingen voor ze Fransen werden. ‘Mijn voorouders hebben sinds de middeleeuwen nooit hun land verlaten. Het land heeft hun afkomst verlaten.’

Volgens de Franse schrijver Michel Quint zorgt de nabijheid van de grens ervoor dat Frans-Vlamingen de meest bescheiden Fransen zijn. Omdat de grens zo relatief is, laat je het wel om een hoge borst op te zetten omdat je toevallig aan de Franse kant van de grens woont. Dit is niet de Corrèze. Hier weet je dat het weerbericht van de Belgische Franstalige zender RTBF uit Brussel of Doornik betrouwbaarder is dan dat uit Parijs.

Het zijn de autobiografische verhalen van de schrijvers (naast Provoost, Quint en Degroote ook nog Luuk Gruwez) en de reisverhalen van Luc Devoldere en Wim Chielens die dit boek tot een ode aan de grens maken. Devoldere en Chielens doorspekken hun stukken op de juiste plaatsen met historische en anekdotische verwijzingen, de petite histoire die de grens levendig maakt. De verhalen over de smokkelaars (‘blauwers’) en het barakkenvolk, de Vlaamse arbeidskrachten die in huisjes (barakken) woonden en iedere dag de grens overstaken om er te werken, vertellen vaak meer over het veranderende grensleven dan de historische beschouwingen die ook zijn opgenomen.

Buitenbeentje is het stuk van de Vlaamse journalist en essayist Geert van Istendael over de Belgische taalgrens die in Moeskroen begint en naar Voeren loopt. Dezelfde grens, maar niet langer een staatsgrens. Al eeuwen lang de streep waar germanisering en romanisering elkaar in evenwicht houden, maar nog maar vijftig jaar vastgelegd in een wet en sindsdien ‘de essentie van België’, aldus Van Istendael. Een bondige en heldere uitleg over waar die vaak onbegrijpelijke taaltwisten en -wetten in België vandaan komen, en daarom een must read voor iedereen die België wil begrijpen. Of verklaren.