Slachtofferhulp: aandacht broertjes hartverwarmend én beklemmend

Harry Crielaars, directeur van Slachtofferhulp Nederland. Foto SHN

Een schok ging door het land toen de vermiste broertjes Julian en Ruben dood gevonden werden. Harry Crielaars, directeur van Slachtofferhulp Nederland, heeft natuurlijk oog voor de moeder en haar familie, maar ook voor de naasten van de vader die zijn zoons ombracht en daarna zichzelf. Nrc.nl sprak met hem over die positie.

“Ik heb een aantal reacties gekregen van mensen die dat niet begrijpen”, zegt Crielaars over die zorg. “Dat kan ik me voorstellen. Wij zijn natuurlijk in eerste instantie een slachtofferorganisatie. Het is erg moeilijk uit te leggen dat je soms ook zorgt voor de nabestaanden van de dader.”

In dit geval is het nog best complex ook: de nabestaanden van de vader zijn tevens de opa en oma van Ruben en Julian. Een andere situatie waarin de collectieve emoties hoog opliepen en Slachtofferhulp ook de familie van de dader bijstond was de schietpartij in Alphen aan den Rijn in 2011. “Uiteindelijk snappen mensen wel dat die ouders er weinig aan konden doen. Die laten we niet in de kou staan.”

Zo eensgezind het publiek van daders monsters maakt, zo gelaagd denken slachtoffers doorgaans zelf over het misdrijf en de dader. Natuurlijk zijn er wraakgevoelens en is vergeving vaak niet aan de orde, legt Crielaars uit, maar in gesprekken komt de rede vaak langzaam terug. “Ik heb gesproken met ouders wier kinderen vermoord zijn. Die denken eerst: ik rij met mijn auto op de dader in, maar ze realiseren zich ook wat voor consequenties dat kan hebben.”

‘Zonder zuivere motieven dader is gesprek zinloos’

Het verlangen naar wraak gaat niet zelden over in de vraag naar erkenning en het verlangen om te leren wat de dader bezield heeft. Van de ruim 220.000 slachtoffers  die jaarlijks terechtkomen bij Slachtofferhulp Nederland treden er bijna 1.000 slachtoffers in contact met de dader. “Ik vind dat best veel”, aldus Crielaars. “Het is ook niet zomaar iets.”

Via de zusterorganisatie Slachtoffer in Beeld worden dat soort contacten ook daadwerkelijk gelegd. Op de website staan interviews met een verkrachter en zijn slachtoffer. “Ik wil léven”, zei het slachtoffer na de ontmoeting. “Onder andere door het contact met de dader is het aan het helen.” Crielaars sprak haar ook zelf: “Ik heb ontzettend veel bewondering voor haar, want het is het toch heel confronterend. Ze wilde vooral weten of ze een toevallige voorbijganger was of dat hij het op haar gemunt had. En of ze bang moest zijn als hij weer vrijkomt.” De dader kon haar geruststellen, ze had de pech net voorbij te lopen toen hij zwaar onder invloed van cocaïne was. “Dat maakt het niet minder erg, maar wel beter draagbaar.”

Dit soort ontmoetingen worden zorgvuldig voorbereid, verzekert Crielaars. “We zetten niet zomaar mensen tegenover elkaar met de aansporing ‘klets maar raak’. De dader moet willen meewerken en een behoorlijk inlevingsvermogen hebben. De kans bestaat dat hij het alleen doet om stafvermindering te krijgen. Dat soort motieven moeten we uitselecteren.” Als het slachtoffer een dader persé wil spreken, maar de dader wil niet, dan oefent Slachtoffer in Beeld geen druk uit. “Als iemand daar verplicht zit of als de dader geen zuivere motieven heeft, dan is het gesprek vrijwel zinloos.”

Daders voelen zich ook weleens slachtoffer van de omstandigheden. Zodoende komt het zelfs voor dat daders een hulpvraag bij Slachtofferhulp neerleggen. “Via de landelijke hulplijn weten ze ons soms te bereiken. Dan is het niet zo dat wij de hoorn erop gooien. We luisteren net als bij iedereen en brengen ze in contact met Slachtoffer in Beeld. Als hij echt berouw heeft en daar graag iets mee wil doen, dan gaat een bemiddelaar van Slachtoffer in Beeld met zo iemand in gesprek. We laten ze dus niet in de steek, maar helpen ze verder.” Crielaars benadrukt dat het slachtoffer uiteindelijk bepaalt of het contact daadwerkelijk gelegd wordt. Ook brieven worden niet zomaar doorgestuurd.

‘Slachtoffers moeten zich kunnen uitspreken over straf’

Normaal gesproken ontmoeten daders en slachtoffers elkaar alleen in de rechtszaal. Vroeger kon je de verdachte slechts een kwade blik toewerpen, maar sinds 2005 mogen slachtoffers in bepaalde gevallen de verdachte ook toespreken. Dat spreekrecht geldt voor misdrijven waar acht jaar cel of meer voor staat en bij ernstige mishandeling of bedreiging. Slachtoffers moeten zich echter beperken tot hoe ze het ervaren hebben en wat de gevolgen van het misdrijf waren. Een mening geven over de verdachte of de straf mag beslist niet.

De wet is in 2012 uitgebreid naar een grotere groep mensen die zich slachtoffer voelen, zoals ouders van minderjarige kinderen, maar volgens Crielaars is het spreekrecht nog steeds te beperkt. “Wij zijn voor spreekrecht-plus. Wij vinden het onzin dat slachtoffers zich niet zouden mogen uitspreken over de strafmaat. Juist daarmee kan het slachtoffer aangeven hoe ernstig hij het vindt. Net als op school maakt een 8 of een 5 een groot verschil. Natuurlijk, daar zit een stukje vergelding in. Maar het is ook recht doen. Dat helpt bij de verwerking.”

Spreekrecht staat een zuivere procesgang in de weg, zeggen critici. Verdachten zouden extra gestraft worden als het slachtoffer gaat spreken. Bovendien zou de rechter maar beïnvloed worden. “Dat is echt de grootst mogelijke flauwekul”, zegt Crielaars over dat laatste. “Die rechters zijn hoogopgeleid, die weten hoe ze zaken moeten wegen. Bovendien hebben daders ook altijd recht op een laatste woord.”

‘Knokken voor rechtsgelijkheid’

Crielaars kent de kritiek dat verdachten niet met de pijn van het slachtoffer geconfronteerd horen te worden zolang ze niet veroordeeld zijn. Als die lijn gevolgd wordt dan ontken je volgens hem tot aan de veroordeling het belang van het slachtoffer. “Zijn die dan pas officieel slachtoffer als de rechtszaken voorbij zijn, inclusief hoger beroep en cassatie? Daarbij: negentig procent van de verdachten die voorkomt wordt gewoon veroordeeld. De meesten die voor de rechter komen hebben al bij de politie bekend. Dan gaat het er enkel nog om in hoeverre ze schuldig zijn.”

Naar buiten ontstaat volgens Crielaars vaak het beeld dat Slachtofferhulp niet is geïnteresseerd in daders. “Maar we leven in een rechtsstaat. Daders hebben ook gewoon rechten, net als iedereen. Waar wij voor knokken is de rechtsgelijkheid tussen dader en slachtoffer. Die rechten moeten meer in evenwicht worden gebracht.”

Terugkomend op de tragedie rondom Ruben en Julian wil Crielaars meedelen dat de massale aandacht voor de moeder twee kanten heeft. “Aan de ene kant is het hartverwarmend, dat zie je aan haar reactie. Aan de andere kant is het ook erg beklemmend. Terecht dat de media alles registreren, maar het betekent wel dat de nabestaanden er constant mee geconfronteerd worden.” Dinsdag werd op verzoek van de moeder een stille tocht afgelast. Een fenomeen waar Slachtofferhulp vaker mee te maken heeft gehad. “Wij organiseren zoiets nooit, maar ondersteunen alleen als er vanuit de slachtoffers behoefte aan is.”

Voor ouders van kinderen die van een afstand betrokken zijn geweest bij het drama (denk aan scholen in de buurt), maar ook voor ouders van kinderen die het nieuws via de media hebben gevolgd is er een speciale informatiepagina op Slachtofferhulp.nl. “Het is belangrijk dat het vertrouwen van kinderen in u als ouder of verzorger blijft bestaan”, luidt één van de adviezen. “Steun het kind met geduld en begrip en probeer het een gevoel van geborgenheid te geven.”

Volg de auteur op Twitter