Rubens de Europeaan

Het Louvre in Lens wil Peter Paul Rubens tot leven wekken als persoon, met fragmenten uit zijn brieven en een film over zijn reislust.

Wie hoopt op zachtaardige, mollige vrouwen en geëxalteerde religieuze taferelen komt bedrogen uit. Ze zíjn er wel – de roomkleurige Leda, innig verstrengeld met haar zwaan; Venus die met half ontblote boezem omkijkt naar de spiegel die Cupido haar voorhoudt; Christus met smekende blik aan het kruis – maar ze zetten niet de toon. L’Europe de Rubens, de eerste internationale tentoonstelling in de dependance van het Louvre in Lens, wil hem niet zomaar weer fêteren als meester van de Vlaamse barok. De bedoeling is om Rubens als persoon tot leven te wekken, door hem zo volledig mogelijk in zijn tijd en omgeving te verankeren.

Die omgeving was in het geval van Peter Paul Rubens (1577-1640) uitzonderlijk groot. In een tijd waarin de meeste mensen hun dorp of stad van hun leven niet uitkwamen, was Rubens een onvermoeibaar reiziger. Twee jaar nadat hij in zijn woonplaats Antwerpen tot het schildersgilde was toegelaten vertrok hij naar Italië, waar hij zich vergaapte aan de moderne architectuur en de schatten uit de klassieke Oudheid en waar hij de spirituele basis vond voor zijn vurig katholicisme. Rome zou zijn grootste liefde blijven, maar Rubens’ blik reikte verder. Als hofschilder en vertrouweling van de Habsburgse vorsten die het monarchistische, katholieke deel van Europa verdedigden, werd hij op diplomatieke missies gestuurd en leerde hij Madrid, Londen, Wenen en Parijs kennen. Behalve prestigieuze opdrachten leverde het hem twee adellijke titels op.

Europees Museum

Dit grenzeloze leven vormt een passend startschot voor de plannen van het Louvre-Lens, dat beoogt een Europees museum te worden, in plaats van een afdeling van het Louvre in een onopvallende provincieplaats. De bruiklenen voor L’Europe de Rubens komen uit negen landen, waaronder de Verenigde Staten, en bevatten behalve schilderijen ook tekeningen, gravures, tapijten en beelden, van veel meer kunstenaars dan Rubens alleen.

In de 350 pagina’s dikke, fraai geïllustreerde catalogus (waarvan een Engelse vertaling helaas ontbreekt) worden de subthema’s van de tentoonstelling minutieus, op een hoog wetenschappelijk niveau nader uitgewerkt. De Nederlandse historicus Jeroen Duindam schetst een uitgebreid beeld van de Europese vorstenhoven en maakt onder meer duidelijk dat schilders niet automatisch een hoge status hadden in deze hiërarchisch georganiseerde ‘extended families’. Aan zijn wapens, tronen en tapijten ontleende een vorst groter prestige en besteedde hij meer geld dan aan schilderijen. Eerste taak van de schilders, die deel uitmaakten van een gemêleerde groep hofkunstenaars, was om de ceremonies en spektakels in de open lucht waarmee een vorst het volk imponeerde te verfraaien. Rubens ontleende zijn roem in de eerste plaats aan grootse, vergankelijke decors. Portretten circuleerden vooral als relatiegeschenken tussen de hoven en waren dus veel minder zichtbaar.

De Vlaamse kunsthistoricus Arnout Balis reconstrueert in zijn bijdrage de Europese ‘Republiek der Letteren’ waartoe Rubens behoorde. Rubens kwam uit een geleerde familie – zijn vader was advocaat, zijn oudere broer Philip was taalkundige. Rubens’ keuze voor de kunst is in dat licht zelfs verrassend. Als amateurwetenschapper was hij een omnivoor; zijn interesse ging van zoölogie tot astronomie en Aziatische kostuums. Hij verzamelde het voor zijn tijd enorme aantal van bijna vijfhonderd boeken. De scheiding tussen vakgebieden was lang nog niet zo strikt als nu: de tientallen ‘vrije geesten’ uit heel Europa met wie Rubens correspondeerde geloofden nog in de mogelijkheid van één alomvattende, alles verklarende wetenschap. Voor Rubens was kennis bovendien een vrije zone, waarin politieke en religieuze conflicten niet speelden.

Penvrienden

In het boek wordt zo een mooi beeld van een leef – en denkwereld geschetst – maar hoe vertaal je dat naar een museum? Op de expositie zijn audiofragmenten uit Rubens’ bewaard gebleven brieven te horen, staat zijn vriendennetwerk in lijntjes en cirkels aangegeven op een kaart van Europa en draait, in een zaaltje achteraf, een plechtige film van oude en moderne stadsgezichten om iets van zijn reislust over te brengen. De Republiek der Letteren wordt geïllustreerd aan de hand van Rubens’ studies van de ‘Grand Camée de France’, de beroemde, in reliëf gesneden steen die nu in de Bibliothèque Nationale ligt, voor een wetenschappelijke publicatie die er nooit is gekomen.

Hoe goed bedoeld ook, met dit soort studieuze zijsporen drijven de samenstellers wel erg ver af van de pracht en praal die Rubens’ oeuvre uitstraalt. De sfeer in de zalen is soms eerder calvinistisch dan barok; het leren en bestuderen overheerst het simpele, esthetische genot.

Bovendien lijkt het door de muurteksten soms alsof de man om wie het hier allemaal draait per se een kopje kleiner gemaakt moet worden. De strekking: Rubens was niet de eenzame kunstenaar die hij graag wilde lijken. Hij was bovenal een goed zakenman en promotor van zijn eigen werk, die rivalen negeerde en talentvolle medewerkers bewust overschaduwde. De firma Rubens liet geen ruimte voor anderen in de Vlaamse kunst. Het zal, denk je dan – maar welke kunstenaar lijdt niet aan enige vorm van megalomanie? Misschien was dat wel nodig voor de productie van al die feestdecors, die vorstelijke portretten en ja, die heerlijke mollige vrouwen.