Nederlandse kunst wordt goed vreemd gevonden

Borgman van Alex van Warmerdam racet in Cannes mee om de Gouden Palm, de absolute film-hoofdprijs. Ja, een Oscar voor beste film of regie is ook leuk. Maar Oscars zijn toch vaak zo’n beetje afgedwongen door geslaagde pr plus de communis opinio van de Amerikaanse filmindustrie.

Zo niet de Palm. Die komt van jury’s die zich traditioneel ‘slecht’ gedragen – en dat slechte gedrag bestaat eruit dat ze de Palm toekennen aan wie ze willen, niet aan de film die het festival publicitair goed uitkomt.

Als ik mijn collega’s mag geloven, wat ik doe, wordt er juichend op Borgman gereageerd. Beluister ik mijn buitenlandse collega’s (wat ik ook doe), dan wordt hij weggezet als de vreemde eend. „One of the most daring selections”, schreef het vakblad Variety, dat overigens jubelt. Een „risico”, schreef een Brits dagblad zonder omhaal en in een aanzienlijk kritischer bespreking.

Gedurfd? Een risico? Alex van Warmerdam? Hij is de eerste Nederlander die in 38 (achtendertig!) jaar het hoofdprogramma in Cannes bereikt. De laatste keer hoofdprogramma was ook voor zo’n ‘risico’: Mariken van Nieumeghen van Jos Stelling, een ongeremde film in hippiesfeer.

Cannes mikt hoog. Het wil behagen, maar het wil óók een kritisch niveau. Het wil met zijn hoofdprogramma showcase zijn voor de films die ertoe doen, in het nieuwe seizoen. En die films vindt Cannes dus niet in Nederland. Hoezo?

Sterren als Leonardo DiCaprio of Isabelle Huppert hebben we niet. De enige wereldberoemde Nederlandse cineast, Paul Verhoeven, haalde in 1992 de rode loper met zijn Amerikaanse film Basic Instinct. Doet hij Nederlands, dan wil Cannes hem niet. Hij is een gewaardeerd genrefilmer, maar geen morele gids als Michael Haneke (Amour, Gouden Palm 2012), geen ziener als Terrence Malick (The Tree of Life, Gouden Palm 2011), en zelfs geen gezegende stokebrand als Lars von Trier (vele films genomineerd, één keer gewonnen: Dancer in the Dark, 2000). Cannes selecteert heus wel eens films van Nederlandse regisseurs, maar dan in bijprogramma’s met namen als ‘Un certain regard’ – ik bedoel maar.

Nederlanders maken vreemde films. Ook Borgman wordt zo beschouwd op het internationale toneel. En toch staat hij nu naast de films van Roman Polanski, Jim Jarmusch en de gebroeders Coen, en zo. Dat is op zichzelf al een reden om Van Warmerdam ongemoeid zijn volgende film te laten maken, en daarna direct nóg eentje. Maar internationaal succes is niet vanzelfsprekend een aanbeveling.

Zo is het Metropole Orkest wereldberoemd. Niet figuurlijk, maar letterlijk. Het is uniek van samenstelling en opzet en allerlei grootheden willen ermee optreden. Je zou zeggen: dat houden we in ere. Maar de omroepen hebben er geen geld meer voor over (terwijl het beslist zo duur niet is) en het overleeft nu tijdelijk, op een overgangssubsidie. Dat suggereert dat het afgezakt is. Dat kan. De artistiek leider van het Nederlands Dans Theater verklaarde onlangs dat zijn gezelschap, ondanks de enorme internationale reputatie, te sterk teert op oude roem. Daar werkt hij aan, hij had zelfs de moed om boegbeeld Jiri Kylián te vragen zich een tijdje terug te trekken.

Met Joe Lovano (een onbetwiste grootheid) op tenorsaxofoon brengt het Metropole Orkest een avondvullende ode aan John Coltrane en aan diens plaat Ballads uit 1963. Ik ga checken of het nog altijd zo goed is.

Ja hoor. Het Metropole Orkest is nog altijd zo goed. Machtige swing.

Ballads is die plaat met nummers als All or nothing at all en Nancy (with the laughing face). Overbekend bij velen. Maar in een groots arrangement rolt het Metropole Orkest de nummers als nieuw uit over de zaal, die al snel zo ongeveer collectief hijgt van enthousiasme.

Onversaagd doen wat het beste lijkt, risico’s zoeken. Daar gaat het om, maar dat moet je durven. Ik denk aan vorige week, kunstcentrum W139 in Amsterdam. Voor de meervoudige performance van jonge kunstenaars kregen we mondkapjes en oorstoppers uitgereikt, want het asfalt op de vloer ging eraan. Op een tractor haalde Sajoscha Talirz er een ploegschaar doorheen. Mercé Wouthuysen joeg een stuntvrouw op een motorfiets door de ruimte. Hij brulde en het asfalt brandde.