Europa zit aan haar taks

Soepeler dan verwacht gaven Oostenrijk en Luxemburg gisteren op de top van Europese regeringsleiders toe aan wat neerkomt op de opheffing van hun bankgeheim. Daarmee heeft de EU een belangrijke stap gezet naar openheid in de bancaire sector. Het zwartsparen over de grens kan nu hopelijk adequaat worden aangepakt.

Dit is een gunstige ontwikkeling. De lidstaten van de EU kampen met grote budgettaire stress en extra inkomsten zijn meer dan welkom. Dat verklaart ook de gezwindheid waarmee het jarenlang slepende zwartgeldprobleem nu plots kan worden aangepakt. Met 25 lidstaten op zwart zaad tegenover zich konden Luxemburg, en in haar kielzog Oostenrijk, weinig anders meer. Overigens kunnen de afspraken pas serieus worden genomen als, bijvoorbeeld, Nederland de verlangde namen en rugnummers uit beide landen daadwerkelijk begint te ontvangen.

Intussen is een veel groter probleem ongemoeid gelaten. De lappendeken van verschillende belastingwetten, verdragen, praktijken en afspraken in de EU – en daarbuiten – geeft het bedrijfsleven de mogelijkheid zeer weinig belastingen te betalen door middel van uitgekiende, legale, constructies. Onderlinge concurrentie tussen staten holt op dit vlak de belastinggrondslag voor het internationaal opererende bedrijfsleven sterk uit. De zogenoemde ‘belastingrace naar de bodem’ is nog steeds in volle gang. In de Verenigde Staten werd deze week in het Congres het bedrijf Apple aan de tand gevoeld, maar dat hield stand door vol te houden dat men er volkomen legaal bezig is.

Een moreel appèl helpt hier weinig. Ook bedrijven die zich graag gedragen als een good corporate citizen zal het moeilijk vallen aan hun aandeelhouders uit te leggen dat er méér wordt betaald dan strikt nodig is. Maar wat nu dreigt is dat de burger, en dan vooral de werknemer, een steeds groter deel van de belastingen moet dragen.

De oplossing van dit probleem is uitermate complex. Ierland en Nederland staan te boek als Europese landen die een belangrijke rol spelen in internationale constructies. In werkelijkheid heeft vrijwel elk Westers land speciale regelingen, afspraken en verkapte subsidies. Het zal lastig zijn die te uniformeren of onderling weg te strepen.

Toch staat de internationale gemeenschap, en zeker niet alleen de Europese, vroeg of laat voor die stap. Onmogelijk is hij niet. Ook de internationale handel in goederen en diensten is een complex systeem van heffingen, restricties en subsidies. Het afbreken daarvan is, hoewel het werk nooit af zal zijn, sinds eind jaren veertig van de vorige eeuw verrassend goed geslaagd. Laat dat een voorbeeld zijn dat zo’n gordiaanse knoop, met de juiste hoeveelheid politieke wil, te ontwarren valt.