Dringen voor de voedselbank

Steeds meer mensen zijn door de aanhoudende crisis aangewezen op voedselhulp. Europese politici twisten over een ‘fonds voor de allerarmsten’. „Wat dreigt is dat de kleinere cake ook nog in méér stukken moet.”

In de kelder van hulporganisatie ‘Espoir et Fraternité’, in de Waalse gemeente Herstal nabij Luik, staan honderden dozen met blikjes rijst/tonijn. Ze zijn geproduceerd met geld van de Europese Unie en ze mogen niet worden verkocht, alleen weggegeven. De organisatie heeft ook potjes van de EU met stoofvlees, wortels en erwtjes en er staan stapels kratten met EU-spaghetti en EU-rijst.

Wie in Herstal woont en weinig geld heeft, kan elke maand langskomen om eten op te halen. Gabrielle Moernart (42), die al sinds 2009 geen werk meer vindt als schoonmaakster, laadt acht volle tassen in de achterbak van haar Renault Clio – en dat doet ze al sinds 2009. Ze heeft drie dochters en een man die een paar dagen in de week op de markt chocola en taart verkoopt.

Pas als het voedselloket van Espoir et Fraternité in Herstal al dicht is, komen er ook kisten met fruit, groente en broodjes die supermarkt Carrefour niet meer kon verkopen. „Vorig jaar stond onze kelder er helemaal vol mee”, zegt Angela Bellomo van de hulporganisatie, „maar de supermarkten letten er steeds beter op dat ze niet te veel inkopen.”

Door de economische crisis komen er wel steeds meer mensen langs voor voedsel. „Steeds vaker ook jongeren die net van school zijn.” Klanten klagen soms, zegt Angela Bellomo ook, omdat het EU-eten steeds hetzelfde is. Maar het wás er altijd wel.

Vanaf volgend jaar kan alles anders zijn. In de EU-begroting voor de komende zeven jaar is er 2,5 miljard euro beschikbaar voor een ‘fonds voor de allerarmsten’ in Europa. Dat komt in de plaats van de 3,5 miljard euro die er de afgelopen zeven jaar was voor voedselhulp. EU-landen konden zelf beslissen of ze daar gebruik van maakten of niet. Als ze dat niet deden, zoals bijvoorbeeld Nederland, Duitsland en Groot-Brittannië, was er voor de andere landen meer geld. De Europese Commissie wil nu dat het geld uit het nieuwe, kleinere fonds wordt verdeeld over alle 27 lidstaten.

In het Europees Parlement is de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken er op een bijzondere manier diep verdeeld over. De meeste christen-democraten, liberalen en Groenen vinden dat de lidstaten niet verplicht moeten worden om geld uit het fonds te gebruiken, omdat de EU-landen lang niet allemaal even hard worden geraakt door de economische crisis.

De sociaal-democraten én alle Franse Europarlementariërs van de Groenen, christen-democraten en liberalen vinden daarentegen juist dat alle landen mee moeten doen, omdat ze allemaal inwoners hebben die onder de armoedegrens leven en omdat voor elk land solidariteit belangrijk moet zijn.

Volgende maand stemt het Europees Parlement erover in Straatsburg, maar in de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken bleek dezer dagen dat de sociaal-democraten plus de Fransen aan het winnen zijn: ze kregen begin deze week opeens ook steun van de christen-democraten uit Spanje.

In de zomer moet er dan nog onderhandeld worden met de regeringen van de EU-landen. Vooral de zuidelijke landen, die het meest te verliezen hebben in het nieuwe plan, aarzelen of ze het wel kunnen maken om ertegen te zijn: als ze nu niet solidair zijn met de rest van Europa, is die rest het straks misschien ook niet meer met hen.

„Bij voedselhulp speelt er een enorm cultuurverschil”, zegt GroenLinks-Europarlementariër Marije Cornelissen die zich al jaren met het onderwerp bezighoudt en in heel Europa voedselbanken bezoekt. „Vooral Frankrijk ziet het geven van voedsel als een hoogstaand goed. Ik vind zelf dat je je er als land voor zou moeten schamen dat je mensen hebt die er afhankelijk van zijn.”

Franse Europarlementariërs weten ook dat het nieuwe plan past bij het idee van president François Hollande over een ‘sociaal Europa’: hij wil dat de Europese Commissie zich direct kan bemoeien met de armen.

Europa geeft al sinds 1987 voedselhulp aan armen in de eigen lidstaten. Een jaar eerder was er een strenge winter geweest met een Elfstedentocht, maar ook met daklozen die doodvroren. Onder leiding van de Nederlandse eurocommissaris voor Landbouw, de CDA’er Frans Andriessen, was een ‘voedselprogramma’ bedacht dat ook meteen een oplossing was voor de boterberg en de melkplas: de overschotten die waren ontstaan door de gegarandeerde minimumprijs voor Europese landbouwproducten werden aan Europese armen gegeven.

Door landbouwhervormingen zijn er steeds minder overschotten. In 2011 wilden landen als Groot-Brittannië, Nederland, Duitsland en Zweden dat de EU zou stoppen met de voedselhulp – die vooral gaat naar landen in Oost- en Zuid-Europa. De lidstaten moesten die hulp zelf gaan regelen. Tot eind van dit jaar geldt er een noodplan, waardoor voedselbanken die er afhankelijk van zijn toch nog Europees geld krijgen. Daarna is er, als alles gaat zoals de bedoeling is, het nieuwe ‘fonds voor de allerarmsten’ waar voedselhulp bij hoort. Maar dan ook meteen voor álle EU-landen.

Marije Cornelissen had in het Europees Parlement en bij de lidstaten hard gelobbyd voor het noodplan, omdat ze in landen als Hongarije en Slowakije voedselbankklanten had gezien die niks hadden als er geen EU-voedsel meer kwam. Ze wilde vooral dat de voedselbanken de kans kregen om bijvoorbeeld zelf met supermarkten te regelen dat overschotten aan hen werden gegeven, zoals in Nederland.

Maar zover is het nog lang niet en door het nieuwe EU-plan zal er voor die voedselbanken wel fors minder overblijven. Cornelissen: „Het is een soort transfer van Hongarije, Griekenland, Portugal en Spanje naar Nederland, Zweden, Groot-Brittannië en Duitsland. Voor Nederlandse armen verandert er eigenlijk niks, maar in het oosten van Hongarije gaan er dan echt mensen dood.”

Er zijn geen cijfers over het aantal Europeanen dat afhankelijk is van de voedselhulp. Belangenorganisaties denken dat het er zo’n 18 miljoen zijn. In sommige Oost-Europese landen krijgen voedselbanken bijna al hun voorraden via de EU. In bijvoorbeeld België zijn de voedselbanken – met zo’n 230.000 klanten – voor bijna 60 procent afhankelijk van de Europese hulp. Die krijgen ze via de Belgische federale overheid en daar zijn ze blij om: ze willen liever niet verdeeld raken in Waalse en Vlaamse organisaties en afhankelijk worden van regionale politici.

Het distributiecentrum van de voedselbank in Luik is ondergebracht in een oude kazerne van het Belgische leger. Die had al een enorme koelcel waar voorraad kon worden opgeslagen als het oorlog werd. Nu staan daar pallets met verse pasta, afbakbroodjes en kroketten. Door lekkage vriezen de deuren van de koelcel steeds dicht, ze kunnen alleen met een koevoet of een heftruck worden opengemaakt.

In een kantoortje van het distributiecentrum ontvangt Jean-Marie Delmelle, voorzitter van de Belgische federatie van voedselbanken, Marije Cornelissen. Delmelle zegt dat het misschien wel „egoïstisch” van hem is, maar toch: „Het wordt een echte ramp als de Europese voedselhulp gedeeld moet worden met landen als Duitsland, Nederland en Groot-Brittannië. De kleinere cake moet dan ook nog in meer stukken.”

Delmelle hoorde al van Duitse en Britse collega’s dat ze hun deel zeker zullen opeisen. De Belgische voedselbanken hebben er al over vergaderd, maar ze weten nog niet wat ze zullen doen, zegt hij: ze gaan óf minder voedsel uitdelen óf minder klanten toelaten. „Een afschuwelijke keuze.”