Bij Nederlands leer je nu vooral veel trucjes

In het onderwijs staat niet taal- of leesvaardigheid centraal, maar ‘Cito-examenvaardigheid’, stelt Klaas Heemskerk.

In de krant van dit weekend kopt Marc van Oostendorp met ‘Foute vragen bij eindexamen Nederlands’. Maar het is veel erger. Het hele examensysteem is uit balans geraakt. Door overheidssturing op eindexamencijfers en incompetente schoolleiders kalft de kwaliteit van het taalonderwijs steeds verder af. Als vereniging van leraren Nederlands en moderne vreemde talen hebben we daar onderzoek naar laten doen. De uitkomstenvragen om drastische koerswijzigingen in het onderwijsbeleid.

Taalwetenschapper Van Oostendorp verbaast zich over de in zijn ogen foute meerkeuzevragen in het vwo-examen Nederlands. Leraren Nederlands kijken daar echter al lang niet meer op. Wij waren vooral blij dat er dit jaar aanzienlijk meer open vragen in het examen zaten.

Het is een misverstand te denken dat het eindexamen Nederlands de leesvaardigheid, laat staan de taalvaardigheid, van leerlingen toetst. Het toetst vooral hoe vaardig een leerling is in het beantwoorden van Cito-examenvragen. Dat is ook wat we ze leren: trucjes. Kernzinnen onderstrepen. Op signaalwoorden letten. En vooral: niet te veel nadenken, niet creatief zijn en alle kennis vergeten die we ze in die zes jaar over de wereld buiten de Citotekst hebben bijgebracht.

Onze leerlingen zijn doorkneed in de hermeneutiek van Cito-meerkeuzevragen. Zij weten dat ze bij de vraag, waar de ongetrainde taalwetenschapper Van Oostendorp niet uitkwam, niet moeten nadenken, maar door de meerkeuzebrij heen moeten kijken en het meest simpele en voor de hand liggende antwoord moeten kiezen.

Gelukkig vormt dit centraal examen Nederlands maar de helft van het eindcijfer. Het andere deel van het cijfer bepalen leraren zelf. We laten ze onbekommerd open vragen stellen over poëzieanalyse, over de literatuurgeschiedenis. We laten ze teksten schrijven en referaten houden en we gaan met ze in gesprek over de romans en dichtbundels. Het gemiddelde van al die toetsen vormt het cijfer van het schoolexamen.

Politici en beleidsmakers hebben echter, aangespoord door lijstjesdeskundigen als Jaap Dronkers, bedacht dat dit schoolexamencijfer niet te veel mag verschillen van het cijfer voor het centrale Cito-examen. Op veel scholen leidt dit tot schoolleiders die leraren onder druk zetten om cijfers aan te passen en vooral om meer tijd te besteden aan Cito-examentraining, want hoe hoger het examencijfer hoe beter een school scoort bij de Onderwijsinspectie en in de ‘kwaliteits’-lijstjes.

Tweederde van alle scholen toetst daarom nu ook leesvaardigheid – in de vorm van oude Cito-examens – in het schoolexamen Nederlands. Twee vliegen in één klap: nog meer examentraining en zo gaat het schoolexamencijfer vanzelf op het eindexamencijfer lijken. Om daar ruimte voor te maken, wordt steeds minder aandacht besteed aan literatuuronderwijs (46 procent) en schrijfvaardigheid (27 procent).

Bovendien wordt de weging van leesvaardigheid, of feitelijk: Cito-examenvaardigheid, in het eindcijfer op die manier nog verder vergroot. In één op de vijf scholen bepaalt Cito-examenvaardigheid inmiddels al meer dan 65 procent van het eindcijfer Nederlands. Het verbaast dan ook niet dat het vervolgonderwijs klaagt over de taalvaardigheid van instromende studenten. Ze zijn heel goed in Cito-meerkeuzevragen, maar steeds minder goed in staat een studietekst werkelijk te begrijpen of een heldere, laat staan correcte, tekst te formuleren.

Deze week hebben we als vakvereniging aan het ministerie van Onderwijs het onderzoek aangeboden dat we naar de sturing op de discrepantie tussen de resultaten van het schoolexamen en het centraal examen hebben laten doen.

Het wordt hoog tijd dat schoolleiders, politici, onderwijsinspectie en beleidsmakers inzien dat sturing op examenresultaten alleen maar leidt tot nog meer teaching to the test. Laat cijferlijstjessturing van onderwijskwaliteit los en geef leraren de ruimte om leerlingen te leren denken, lezen en schrijven.

Klaas Heemskerk is leraar Nederlands en vicevoorzitter van de Vereniging van Leraren in Levende Talen.