‘Bij elk bewijsmiddel is het nuttig om vragen te stellen’

Peter van Koppen onderzoekt afgesloten strafzaken. In zijn jongste boek beschrijft hij fouten bij veroordelingen én vrijspraak. Een „mooie moord” roept vragen op.

Peter van Koppen: „Als je de moed niet hebt, moet je een ander vak zoeken.” Foto Bram Budel

Hij weet niet of ze schuldig zijn. Dat pretendeert hij ook niet te weten. Maar voor rechtspsycholoog Peter van Koppen (59) staat wel vast dat er fouten zijn gemaakt in de zaken die hij beschrijft. Bewijs is verkeerd beoordeeld, bedacht, genegeerd. „Dat maakt de kans groot dat je onschuldigen veroordeelt, of daders vrijspreekt.”

Vandaag publiceert hij Gerede Twijfel, over bewijs in strafzaken. Half juni verschijnen nog twee boeken van hem over specifieke rechtszaken waarin de rechters volgens Van Koppen ernstige fouten hebben gemaakt, De Moddermoord (zie kader) en De Haagse Kindermoorden, over de moord op twee meisjes, in 1980 en 1994.

Al tien jaar onderzoekt Van Koppen samen met studenten van de Universiteit Maastricht en de Vrije Universiteit in Amsterdam afgesloten strafzaken. Met dat project, dat ook Gerede twijfel heet, is hij begonnen nadat hij zelf hij een van de grootste rechterlijke dwalingen in de geschiedenis van de Nederlandse rechtspraak ontdekte. In de Schiedammer Parkmoord werd een verdachte ten onrechte veroordeeld tot 18 jaar en tbs. De zaak werd pas vier jaar later heropend, nadat de echte dader een bekentenis had afgelegd.

Hebt u de overtuiging dat de veroordeelden in de Moddermoord en de Haagse kindermoorden onschuldig zijn?

„Als je mensen veroordeelt zonder voldoende bewijs, is de kans groot dat ze onschuldig zijn.”

Maar hebt u ook die overtuiging?

„Wat is dat, overtuiging?”

Soms is er genoeg bewijs, maar veroordeelt een rechter niet omdat hij niet gelooft dat iemand het heeft gedaan.

„Ach, die overtuiging is alleen bedoeld om de rechter meer beslissingsruimte te geven. Ons eindproduct is een goede analyse van de zaak, niet een antwoord op de vraag over schuld. In deze zaken zijn mensen ten onrechte veroordeeld. Daar gaat het om.”

Zoekt u de veroordeelden op?

„Soms, aan het einde van een onderzoek. Maar alleen als we vragen hebben.”

Rechters doen onderzoek op zitting. Ze stellen vragen, kijken hoe de verdachte reageert.

Vragen stellen is nuttig. Maar iedereen die denkt dat hij iets af kan leiden uit gedrag, heeft ongelijk.”

Wapent u zich tegen intuïtie?

„Intuïtie speelt wel een rol aan het begin, bij het selecteren van de zaken waar we ons in gaan verdiepen.”

Een zaak is volgens Van Koppen geschikt voor zijn team als „voor beide scenario’s veel argumenten zijn: schuldig of onschuldig. Hoewel hij er meteen bij aantekent dat er „vaak veel meer scenario’s” zijn. Alleen door de scenario’s tegenover elkaar te zetten, en het bijbehorende bewijs te onderzoeken en te wegen, kun je in de buurt komen van een goed rechterlijk besluit. Een besluit dat Peter van Koppen zelf nooit als rechter zou willen nemen. Hij zou er wakker van liggen, want „in elke zaak zit een gokje”.

Er is moed voor nodig om iemand te veroordelen, zegt Van Koppen. Moed die rechters sinds de Schiedammer moordzaak blijkbaar steeds minder kunnen opbrengen. Het aantal vrijspraken steeg van 4 procent (in 2004) naar 9 procent. Van Koppen: „Als je de moed niet hebt, moet je een ander vak zoeken.”

Zelf zet hij vraagtekens bij álle bewijsmiddelen. Een vingerafdruk kan worden verwisseld tijdens een onderzoek. Een politieverhoor kan gestuurd zijn, dwingend. Daarvan geeft hij in zijn boek ontluisterende voorbeelden.

En dan de detentieomstandigheden. In gesprekken brengen verdachten „met enige regelmaat” omstandigheden naar voren die hen uitputten en verwarren, schrijft Van Koppen. Ze klagen over licht dat frequent aan of juist uit wordt gedaan, eten dat niet met regelmaat komt. En over langdurige kou.

„Het lijkt erop dat een koude cel tot de standaardbehandeling bij de politie hoort”, zegt Van Koppen. De kou en de afzondering kunnen het zogenoemde Alice in Wonderland-effect versterken. De verdachte verliest steeds meer het contact met de normale wereld. De contouren tussen feit en fictie vervagen tijdens urenlange verhoren. Van Koppen wil „geen moreel oordeel vellen” over de detentieomstandigheden, maar ze zijn in ieder geval „niet bevorderend voor de waarheidsvinding”.

In zijn boek bekritiseert hij veroordelingen, maar richt hij zijn pijlen nu ook op onterechte vrijspraak. Een verdachte van verkrachting van een 13-jarig meisje bij Dokkum had volgens hem veroordeeld moeten worden wegens het „overweldigende bewijs” (zie kader). De raadsheren staarden zich volgens Van Koppen echter blind op een dna-match die niet waterdicht was, maar ook niet als waardeloos had moeten worden afgedaan. Van Koppen heeft zich ook „verbaasd” over de vrijspraak van Ron P. voor de moord op Anneke van der Stap. „Er wordt een meisje vermoord, een uur later pin jij met haar pasje en je hebt daar geen goede verklaring voor? Lijkt me niet zo moeilijk.”

Van Koppen ligt niet wakker van de onterechte veroordeelden. Hij doet dit werk, het oplossen van de puzzel, omdat het zo léúk is. Een moord die „interessante vraagstukken” oproept is „een mooie moord”. In een echte „feestzaak” lokt de ene vraag de volgende uit, en moet Van Koppen zich op terreinen begeven waar hij nog niets vanaf weet. Zo verdiept hij zich momenteel in de vaarsnelheden van boten en het gereedschap waarmee een kluis kan zijn opengebrand.

Van de Schiedammer Parkmoord, dáárvan heeft hij wakker gelegen. Maar dan over de vraag of hij het de familie van het vermoorde meisje Nienke aan kon doen te zeggen dat de veroordeelde niet de dader was. De moeder van Nienke heeft hem ook heel even heel erg gehaat, vertelt hij.

Is het erg dat rechters meer zijn gaan vrijspreken? „Daarvoor moet je kijken naar het belang van de rechtspraak”, zegt Van Koppen. „Sommige mensen dichten de rechtspraak een heel belangrijke rol toe bij de bestrijding van misdaad, maar dat is niet terecht.”

Slechts een heel klein deel van de misdaad belandt bij de rechtbank, zegt Van Koppen. „De productie van de rechtspraak doet er voor de misdaad niet zo veel toe. Voor het meisje dat is aangerand, en haar ouders, voor hen is het wel erg.” En de norm vaststellen? „Zeker, daarvoor is de rechtspraak van belang.”

Peter van Koppen, Gerede twijfel, uitgeverij De Kring, 320 blz. , € 19,95.