Bedelmeisjes

We liepen rond op het reusachtige plein van La Défense, het zakencentrum van wolkenkrabbers in het westen van Parijs. Een regenbui kondigde zich aan, de vlakte om ons heen was verlaten, op één nietig figuurtje na dat ons met rappe stappen naderde. Het was een meisje van een jaar of zeventien, ze hield ons een kaartje met het woord muet voor.

We bleven staan. Ze haalde een map tevoorschijn met een formulier waarop ik mijn naam en postcode kon invullen. Het had te maken met hulp aan doofstomme kinderen, zag ik in de gauwigheid. In een van de laatste vakjes kon je vermelden wat je wilde geven. In andere omstandigheden zou ik het misschien niet gedaan hebben, maar die lege vlakte en de dreigende regen hielpen het stomme pleidooi van het meisje. Ik gaf een munt van twee euro, waarmee ze zich weer even snel uit de voeten maakte.

„Zou het kloppen?”, vroeg ik mijn vrouw. „Reken er niet te veel op”, zei ze.

We zouden het voorval vergeten zijn als we de daaropvolgende dagen niet voortdurend overal in Parijs collegaatjes van het meisje hadden zien opduiken. Het bijzondere van haar was haar eenzaamheid geweest, beseften we nu. Want de andere meisjes kwamen alleen groepsgewijs in actie. Het bleek een interessant verschijnsel, een moderne variant van het klassieke bedelen waarbij je een beenstomp toont, een blind, liefst etterend oog of een ondervoed kind.

Ik heb sommige groepen een poosje gevolgd en zag opmerkelijke patronen ontstaan. De groepen van zo’n zes, zeven meisjes beginnen al vroeg op de dag, meestal in de buurt van de grote toeristencentra, zoals de Notre Dame.

Ze worden aangevoerd door een stevig gebouwde, nors kijkende leider, een man van in de twintig, die als een veldheer de marsroute uitzet. Hij stuurt zijn groepje naar een bepaalde, drukbezochte plek, waar ze zich op de argeloze toeristen storten. Dat gaat opdringerig, soms zelfs agressief. Een jonge Japanner, die niets wilde geven, kreeg een vermanende tik op zijn arm met zo’n formulierenmap.

Sommige toeristen geven beduusd wat, vele weigeren. Er is ook de nodige aarzeling. Echte Parijzenaars die het zien gebeuren, kunnen soms hun verontwaardiging niet verbergen en geven luidkeels een negatief advies. Zodra de leider ziet dat het geldstroompje opdroogt, dirigeert hij zijn groep collectanten de andere kant op. Daar herhaalt zich het tafereel.

Met het ziektebeeld muet wordt door de meisjes slordig omgesprongen. Sommige doen hun werk inderdaad zwijgend, andere praten openlijk met elkaar of hanteren een mobieltje. Ze zouden vooral van Roemeense afkomst zijn. Parijs heeft al jaren veel last van Roemeense bedelaars. Op internet circuleert een filmpje waarop een jonge Nederlandse toerist in Parijs zo’n bedelares aftroeft door haar hetzelfde type zielige briefje (man dood, kind ziek) te tonen waarmee zij mensen geld aftroggelt; ze reageert niet zonder humor door hem een munt toe te stoppen.

De bedelarij die ik nu in Parijs zag, was georganiseerder en brutaler. We zaten de laatste dag in een restaurant op het Gare du Nord op onze trein te wachten, toen weer zo’n meisjesgroep de zaak binnenstoof. De eigenaar reageerde woedend en duwde hen terug. Politie en veiligheidsmensen, hoe opvallend ook aanwezig in de Parijse straten en op stations, zag ik niet ingrijpen; die zijn er meer voor het dreigende oproer.

Benieuwd of de bedelmeisjes binnenkort in Amsterdam opduiken.