Al bij leven geliefd en klassiek

Zijn oeuvre was klein, volstrekt eigen en al bij leven klassiek. Met Henri Dutilleux overleed de succesvolste levende Franse componist.

Henri Dutilleux in 2007. Foto AFP

Het valt niet mee zijn klankwereld kort te omschrijven. Een van de eigenschappen van Henri Dutilleux was juist dat zijn oeuvre – klein gehouden door perfectionisme en eeuwige twijfel – een zekere tijdloosheid ademt. Klassiek? Ja. En onmiskenbaar eigentijds. Maar met het serialisme flirtte hij maar een oogwenk en van elektronica bleef hij verre. Typisch Dutilleux? Dan kom je eerder uit bij termen als ‘sfeervolle precisie’, ‘elegisch constructivisme’ of ‘eeuwig metamorfoserende melodieën’. En bij de vaststelling dat zijn muziek vaak een reactie was op andere kunst zoals De Sterrennacht van Van Gogh (Timbres, Espace, Mouvement, 1978) of het dagboek van Anne Frank (The Shadows of Time, 1997). „Ik onderga hevige emoties bij het bestuderen van andere kunst. Daardoor opgetild maak ik mijn eigen werk, soms pas jaren later”, zei hij.

Henri Dutilleux overleed woensdag in zijn woonplaats Parijs. Hij werd 97 jaar en was dus 24 bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. In die periode vervulde hij enkele praktische functies in de muziek en ook na 1945 bleef hij nog achttien jaar actief als omroepdirecteur muziekproducties.

Dutilleux studeerde aan het conservatorium in Parijs, waar hij later (1970- 1984) les gaf. Een pril succes was de Pianosonate (1947) voor zijn vrouw Genevieve Joy; een divers en knap geconstrueerd stuk dat wel invloed toont van ragtime, Debussy en Stravinsky maar heel eigen is in de mix van swing, polyfonie en diepte.

De melodieën van Dutilleux zijn vaak lang, sensitief en geheimzinnig. Luister maar naar een van zijn zeer late werken, Correspondances (2003), het begin van zijn celloconcert Tout un monde lointain of het vioolconcert L’arbre des songes (1985).

Zijn toegankelijkheid maakte van Dutilleux een van de schaarse naoorlogse componisten van wie werken al tijdens zijn leven echt onderdeel werden van de symfonische canon.

Vocale werken en kamermuziek schreef hij sporadisch. Een opera kwam er nooit: ‘te moeilijk’. Aan zijn ene strijkkwartet had hij al eindeloos geschaafd tot het klopte. En echt tevreden, nee, dat was hij nooit.