De grafgraver van Reyhanli worstelt met de dood

De grafgraver van de Turkse stad Reyhanli begroef vijf naaste buren.Ze stierven bij de aanslag van 11 mei, die officieel 51 levens eiste.

Als de Turkse president voor het eerst in jaren zijn thuisstad bezoekt, gaat Dogan niet kijken. Als duizenden te hoop lopen in het centrum om te demonstreren, laat hij eveneens verstek gaan. Dogan moet graven. Eenentwintig liggen er nu onder de grond. Twee meter diep. Vier lijken zijn in aantocht. Acht werden buiten het dorp begraven. En de rest? De grafgraver van Reyhanli houdt even zijn pas in. Dauw druipt van de puntige pijnbomen boven de graven. „Het moeten er veel meer zijn dan 51. Maar de staat wil het echte aantal niet bekendmaken. De mensen zouden gek worden als ze de waarheid wisten. Reyhanli is als geen enkele andere plek. Deze stad kan de wereld tot stilstand brengen.”

De grafgraver van Reyhanli wil zijn achternaam niet geven. Het zijn woelige tijden in zijn stad. Je kunt maar beter niemand boos maken nu. Hij zat hier, en hij tikt met zijn hand tegen het kniehoge muurtje, toen de eerste bom afging, die zaterdag. Een dreun, een zucht, een vlammende wolk van gruis, van steen en staal. Hier bleef hij zitten. Op dat muurtje. Het werk zou hem vanzelf wel vinden. Niet andersom.

De dubbele bomaanslag op 11 mei is voor de rest van de wereld oud nieuws nu. Er is sinds die dag al heel wat meer ontploft in de Turks-Syrische regio. Maar de grensstad Reyhanli werd in zijn hart getroffen. Iedereen kent wel iemand. De grafgraver begroef vijf van zijn naaste buren. Dogan kent het verhaal van elk graf. Elke centimeter grond heeft hij met zijn eigen schop gegraven.

„Fehmi Karaca kwam die ochtend om half zeven bloemen leggen op het graf van zijn overleden vrouw”, zegt hij. Hij komt iedere zaterdag. Samen hebben ze een ijzeren boog gevlochten over het graf. Daar zouden deze Turkse lente de rozen in groeien. Karaca had de grafgraver wat extra geld toegestopt om voor de bloemen te zorgen. Toen vertrok hij naar de markt.

Dogan loopt verder. „Hier en hier en hier”, wijst hij naar de hopen grond. Zerkloze graven. Soms met bloemen en vaak met een rode Turkse vlag. Hij houdt stil bij het familiegraf van Ayten Calim. Achttien jaar oud. Ze had die week haar bruidsjurk uitgezocht. Ze hebben haar met de sluier begraven. Drie bomen verderop ligt Mustafa Kaya. Die zaterdag, als altijd op de motorfiets toen de bomauto voor het postkantoor ontplofte. Het rondvliegende metaal rukte zijn hoofd van zijn romp.

Het is stil op de begraafplaats nu. Dogan rookt een sigaret, terwijl zijn collega beneden aan zijn voeten schoppen aarde omhoog gooit. Vragen, zoveel vragen. Waarom waren er zo weinig Syriërs op de markt die middag? Drie van de 51 officieel getelde doden waren Syriërs. „Terwijl het daar anders altijd vol zit met Syriërs. Van ochtend tot avond. Wisten ze meer dan wij?” Dagen voor de bom zoemde het van geruchten van een aanstaande aanslag. Het hoofd van de politie van Reyhanli werd uit zijn ambt ontheven, omdat hij de waarschuwingen niet serieus zou hebben genomen. Hoe kan het dat de videocamera die uitkijkt op de straat voor het postkantoor geen beelden opnam? Waarom duurde het een halve dag eer de politie controle nam over de plek van de aanslag en mogelijk bewijsmateriaal?

Met zachte klopjes landt de losgewoelde aarde langs het graf. Dogan neemt nog een trek van zijn sigaret. Daar, waar de pijnbomen ophouden en het open veld begint, achter het hek, daar liggen de Syriërs. Gestorven in hun eigen oorlog. Begraven in Turkije, in Reyhanli. Daar liggen ze volgens Dogan het beste. Ver van de Turken vandaan. Hij laat zich in het graf zakken om zijn collega af te lossen en begint te graven. De bommen hebben veel meer schade aangericht dan de graven hier laten zien. Veel meer is stuk gegaan.