Stadssafari

Mijn stadssafari door de ‘vergeten driehoek’, tevens ‘klein kalifaat’, ofwel het laatste stukje van de Haagse Schilderswijk waar de stadsvernieuwing niet kwam, begon bij Omer Keskin (25), eigenaar van bakkerij Deniz. Hij gaf me een croissant, koffie, een barkruk en zei toen: „Ja, natuurlijk zitten de vrouwen hier de hele tijd binnen! Hoe moeten ze anders voor de kinderen zorgen?”

Ik noemde nog wat puntjes uit Trouw, waar zaterdag was te lezen dat strenggelovige moslims hun regels aan andere bewoners zouden opdringen. Zoals de kleding van vrouwen. Werden ze er op straat echt op aangesproken als die te bloot was?

Weer: „Natuurlijk! De Schilderswijk ís zo. Ik wil toch ook niet dat iemand wat tegen mijn zusje zegt?”

En vond hij Nederland een vrij land?

„Ja, hè hè!? Maar dat wil toch niet zeggen dat wij hier ons geloof gaan verlaten?”

Waar kwamen mannen en vrouwen elkaar trouwens spontaan tegen, hier in de buurt? Buiten school?

„In trouwzalen”, zei Omer.

De Turkse eigenaar van de groentewinkel daarnaast, die niet met zijn naam in de krant wilde, vond dat Geert Wilders groot gelijk had met het terug willen sturen van criminele Marokkanen „en dergelijke”. Het was alleen zo jammer dat hij het niet dééd.

Toen liep ik over straat, waar het smerig was, alsof iemand voor de grap alle vuilniszakken had opengemaakt. De huizen zaten potdicht met meestal vuile vitrage. Vijf jongetjes voetbalden op een mooi stuk nieuw kunstgras – het enige lichtpuntje, zo op het oog.

Iedereen klaagde over de gekmakende inbraken. Ook Marianne van Blitterswijk, die op de Abraham van Beyerenstraat woont en verder nergens last van heeft, want met de moslimburen ging het prima.

Een man van tweeëntachtig liet me binnen. Hij wilde me de steen laten zien die ze door zijn ruit hadden gegooid, de jonge moslims. En de stoelpoot die hij klaar had liggen om zich een volgende keer te verdedigen tegen inbrekers. Hij was echt bang, en boos. Vertelde over de hindoetempel, waar ze eens per jaar buiten een dienst houden voor de wereldvrede. Hoe ze daar een zeil over het hek trokken om onzichtbaar te blijven, en niet te worden bekogeld met blikken energydrank.

Mijn stadssafari eindigde op de plek waar Geert Wilders zou aankomen. Ik wachtte hem op met één van zijn beveiligers.

„Hij heeft de aandacht, hè?” zei die. „En jullie stinken er weer in.”

Toen liep een bleke jongen met een verdacht wit mutsje voorbij, en moest hij dingen in zijn portofoon zeggen.

Geert Wilders kwam aan. Hij zei: „Mijn belangrijkste doel is: laten zien dat dit Nederland is.”

Maak er dan eens een wijk van waar een Nederlander ook zou willen wonen, wilde ik nog zeggen. Maar toen was hij alweer weg.

Margriet Oostveen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Arjen van Veelen.