Spiegel voor Spanjolen

Pedro Almodóvar is de belangrijkste regisseur van Spanje. In zijn nieuwste komedie houdt hij zijn land in crisis een spiegel voor.

Terwijl de Spaanse economie een huiveringwekkende duikvlucht maakt, laat Pedro Almodóvar, de beroemdste regisseur van het land, zijn nieuwste film spelen in een vliegtuig met een geblokkeerd landingsgestel. De symboliek ligt er zo dik bovenop dat je van de weeromstuit argwaan krijgt. Vergt Almodóvar met zo’n doorzichtige allegorie werkelijk niet méér van zijn kijkers?

Veel in Los amantes pasajeros lijkt dat te bevestigen. Onder de eersteklaspassagiers bevindt zich een zakenman die rijk werd met vastgoedzwendel en nu het land moet ontvluchten. Zijn achternaam ‘Mas’ is dezelfde als die van de Catalaanse politicus die vorig jaar met tussentijdse verkiezingen in die deelstaat een nationalistische meerderheid hoopte te forceren.

Naast hem zit de sm-meesteres Norma Boss, die zegt te beschikken over video’s met de machtigste mannen van het land in compromitterende situaties. Een geheimzinnige Mexicaan blijkt een huurmoordenaar; een helderziende ruikt dood en ondergang. Een pasgetrouwd jetsetpaartje bekommert zich om niets anders dan sex en drugs. De voorman van het cabinepersoneel, louter karikaturale homo’s, vertoont een zekere gelijkenis met de Spaanse premier Rajoy, over wie hardnekkig soortgelijke geruchten de ronde doen.

Niets ligt dus méér voor de hand dan dat Los amantes pasajeros een soort Spanjolenspiegel zou zijn, van het soort waaruit Almodóvars oeuvre grotendeels bestaat. Niet dat hij het daarbij zoekt in het realisme van de regisseursgeneratie vóór hem. Eerder kiest hij voor het extravagante. Met een goed gevoel voor camp balanceert hij tussen de kitcherigste symbolen van het traditionele Spanje (folklore, flamenco, nonnen en stierengevecht) en de groeistuipen van een land dat vanaf de late jaren zeventig radicaal modern probeert te zijn: sex, drugs, punk, feminisme, homo-emancipatie, echtscheiding en televisiecultuur.

Almodóvar zelf stond daarbij in het oog van de storm. Madrid werd in die beginjaren van de democratie het toneel van een wilde undergroundbeweging die te boek zou komen te staan als la movida (ruwweg te vertalen als ‘happening’). Ze bood uitgelezen kansen aan aanstormend talent als dat van de acteur, schrijver, striptekenaar en vooral de cineast die Almodóvar wilde zijn.

Andy-Warhol-Factory

Geboren in 1949 in La Mancha en opgegroeid in het achtergestelde Extremadura kwam hij al op achttienjarige leeftijd terecht in de hoofdstad waar het allemaal gebeuren moest. „Het leven lacht je niet toe, maar je bent gelukkig, want eindelijk begin je deel uit te maken van een decor dat je daarvoor alleen op televisie en in tijdschriften hebt gezien”, zou hij later ironisch over zichzelf schrijven. Maar eerst had hij zich twaalf jaar lang in leven moeten houden met een baantje bij de staatstelefoonmaatschappij.

Met een budget van omgerekend een paar duizend van vrienden geleende euro’s maakte Almodóvar in 1980 eindelijk zijn eerste echte speelfilm. Pepi, Luci, Bom y otras chicas del montón ( ‘Pepi, Luci, Bom en andere meisjes van de grote hoop’) vestigde zijn naam als kroniekschrijver van het alternatieve Madrid, dat lak had aan burgerlijkheid en gevestigde waarden. Rockzangeres Alaska, een boegbeeld van de movida, speelde er een hoofdrol in, naast Carmen Maura, die in de eerste films van Almodóvar een van de gezichtsbepalende filmactrices van Spanje zou worden.

De sfeer in die film is uitgelaten en provocerend, het leven berooid en onconventioneel, het acteren soms beroerd en de camera nogal onstabiel. Maar de toon was gezet voor een nieuw soort cinema die niet langer terugkeek op de nationale trauma’s van burgeroorlog en franquisme – zoals bij Carlos Saura of Victor Erice. De toekomst zou anders worden, zonder zorgen voor de dag van morgen en vol nieuwe vrijheden, om te beginnen van (homo)-seksuele aard.

„De vroege jaren tachtig waren een onverschrokken periode waarin de tijd van elastiek was”, zou Almodóvar later schrijven. „We wisten nog niet dat alles zijn prijs heeft en dachten zelfs niet aan geld. Van drugs zagen we alleen de mooie kant en seks was iets hygiënisch. We leefden in een non-stop Andy-Warhol-Factory.”

Wereldberoemd in de beperkte kring van jong en alternatief Madrid bleven Almodóvars films tot halverwege de jaren tachtig, met de bijbehorende onvaste camerabeelden, lichtzinnige humor en hilarische parodieën op tv-commercials als vast onderdeel. Dan richt hij samen met zijn broer Augustín zijn eigen productiemaatschappij El deseo (‘De begeerte’) op en krijgen zijn films een professioneel aanzien: de camera stevig op het statief en het beeld scherp genoeg voor de grotere schermen.

Maar de thema’s blijven uitdagend. In Matador (1986) laat Almodóvar een necrofiele stierenvechter en een perverse advocate gezamenlijk een stomend erotische liefdesdood sterven. In Átame (‘Bind me vast’, 1990) wordt een actrice niet alleen ontvoerd door een bewonderaar, maar ook overweldigd door haar eigen masochistische verlangens.

Dat komt Almodóvar, vooral befaamd als vrouwenregisseur, niet voor het laatst te staan op kritiek van de ook in Spanje mondig geworden feministen, die de lichtzinnige sex in zijn films bedenkelijk vrouwvijandig beginnen te vinden. Geliefd heeft Almodóvar zich bij hen toch al niet gemaakt met het opvoeren van een karikaturaal-bazige feministe in zijn film Mujeres al borde de un ataque de nervios (‘Vrouwen op de rand van een zenuwinzinking’ ) van twee jaar eerder.

Dat is echter wel de film waarmee hij het grote publiek definitief verovert, in Spanje en langzamerhand ook in het buitenland. De onbevredigde echtgenoten uit zijn eerdere films zijn uitgegroeid tot moderne vrouwen, financieel onafhankelijk, maar des te heftiger worstelend met hun relatieproblemen. Almodóvar laat het vrolijk uit de hand lopen in deze Madrileense variant op de Amerikaanse screwball-komedie.

Tranen met tuiten

Toch laat de bekroning van zijn werk met een Oscar nog ruim tien jaar op zich wachten. Todo sobre mi madre (‘Alles over mijn moeder’), waarmee het in 1999 eindelijk zo ver is, is minder een komedie dan een melodrama in de stijl van Douglas Sirk. In Spanje huilen zelfs bejaarde dames tranen met tuiten over het lot van een aan aids lijdende transseksueel. Almodóvar werkt de thema’s van rouw, verlies, verdriet en trouw zo aangrijpend uit dat de seksuele eigenaardigheden van de hoofdrolspelers er van de weeromstuit minder toe doen – tot merkbare verbazing van diezelfde bejaarde dames.

Nog eenmaal evenaart Almodóvar dit succes in 2002 met Hable con ella (‘Praat met haar’), al blijft ook dit keer de feministische kritiek op de dubieuze bevruchting van een coma-patiënte niet uit. Terwijl de Spaanse gays zich van hun kant beginnen te ergeren aan de bepluimde manier waarop zij in zijn films verschijnen, slaat in Spanje als geheel de Almodóvar-moeheid toe. Zijn films kunnen in het belangrijkste dagblad, El País, steevast rekenen op catastrofale kritieken. Hable con ella werd door de Spaanse Academie voor Filmkunst zelfs niet voorgedragen voor een Oscar. (Hij kreeg er toch één: voor het beste originele script).

En nu is er dan Los amantes pasajeros, wat zowel ‘Verliefde passagiers’ als ‘Vluchtige minnaars’ kan betekenen. Almodóvar bleef er trouw mee aan Spanje. Aan de verleiding zijn heil te zoeken in het buitenland, zoals Alejandro Amenábar of Alex de la Iglesia, heeft hij steeds weerstand kunnen bieden. „Mijn leven en films zijn verbonden met Madrid zoals de twee kanten van een muntstuk”, schreef hij ooit.

Maar bleef Spanje hém trouw? De kritiek op zijn laatste film was niet mals; veel bewonderaars besloten deze Almodóvar maar eens over te slaan. Ironisch genoeg is dit verhaal van een bijna-ramp de meest frivole film die hij sinds lange tijd gemaakt heeft. Weg zijn de zware thema’s van schuld, eenzaamheid en verlatingsangst. Veilig landt het vliegtuig op de luchthaven die voor veel geld werd gebouwd in La Mancha en sindsdien ongebruikt is blijven liggen. Alsof zelfs de grootste economische misser in het zieltogende Spanje toch nog ergens goed voor is.

Tot overmaat van ramp maakte Almodóvar er een muziekfilm van. In een hilarische scène zingen de drie stewards het lied I’m so excited, dat de film zijn internationale titel gegeven heeft. Om de passagiers af te leiden van het naderend onheil. „De musical is altijd al een onderdeel geweest van mijn films”, zei de regisseur.

Maar wie dáár een geruststelling in ziet, vergist zich. Spektakelmusicals zijn het geprivilegieerde genre van crisistijden. Muziek en dans verstrooien de aandacht, maar de catastrofe wordt er niet minder dreigend door. Voor de passagiers in het vliegtuig net zo goed als voor de kijkers in de zaal. Als in Plato’s grot zien zij de schaduwen van een komediespel aan zich voorbij trekken; alleen de ingewijden weten dat zich daarachter een heel andere werkelijkheid verbergt. Voor wie de wetten van de cinema kent, is Los amantes pasajeros een inktzwarte film.