Column

Meer techneuten?

Vorige week werd dan eindelijk het langverwachte, al in het regeerakkoord aangekondigde Nationale Techniekpact gesloten: 22 afspraken tussen werkgevers, werknemers, onderwijs en diverse overheden. Doel: meer technisch geschoolde vakmensen. Want daarover bestaat unanieme overeenstemming: er is een structureel tekort aan technici en dat belemmert onze economische groei en innovatie. Jaarlijks zijn 30.000 extra technisch opgeleide mensen nodig, op allerlei niveaus. Het begeleidende persbericht ronkt van de beste bedoelingen: het pact is „cruciaal voor de verdienkracht van Nederland”, „nu de schouders eronder”, „het is leuk en lucratief om (…) te kiezen voor techniek en technologie”.

Dat de keuze voor technische opleidingen niet vanzelf spreekt, is evident. Techniek heeft geen goed imago in Nederland, in tegenstelling tot in veel andere landen waar bijvoorbeeld ook het aantal jonge vrouwen dat een technische studie kiest veel hoger is. Techniek is iets voor nerds of mensen die van vuile handen houden, zo is het beeld. Rijk word je er niet van. En dat terwijl, volgens de voorstanders, de baanperspectieven ‘prima’ zijn. Uiteraard is er veel voor te zeggen om meer jonge mensen een technische studie te laten volgen dankzij beurzen, en om werklozen zich te laten omscholen, waardoor onderwijs en bedrijfsleven beter op elkaar aansluiten. Ik zal een van de eersten zijn om mijn bezorgdheid uit te spreken over het gebrek aan belangstelling voor technische vaardigheden en wetenschap. Maar het is de vraag of de nu gemaakte afspraken tot resultaten leiden. De aansluiting tussen arbeidsmarkt en opleiding, hoe belangrijk ook, is maar een klein onderdeel van het probleem.

Al tientallen jaren is er in Nederland en grote delen van Europa sprake van een veel bredere anti-technologische houding, of beter, van de selectieve acceptatie van technische vooruitgang. Als het ons uitkomt, dat wil zeggen, een direct persoonlijk voordeel biedt, omarmen we smart phones en slimme auto’s, maar tegelijkertijd staan de meeste mensen uiterst wantrouwend tegenover ‘chemische toevoegingen’ (E-nummers bijvoorbeeld) in ons voedsel of energiebronnen als kernenergie of schaliegas. Angst voor technologische modernisering is van alle tijden, maar ongekend is de huidige democratische verlamming waardoor nieuwe technologie geen kans krijgt omdat technisch ongeschoolde politici snel de oren laten hangen naar een algeheel gevoel van malaise. Denk aan genetische modificatie van planten en ondergrondse CO2-opslag, dossiers die tot nader orde geparkeerd zijn. Maar laat ik niet te pessimistisch zijn: wie weet kunnen we nog iets verwachten van de rode ingenieurs Jeroen Dijsselbloem en Diederik Samsom.

Dat techniek geen goede naam heeft, is trouwens ook het gevolg van de soms karikaturale manier waarop de media aandacht besteden aan de uitvindingen van beta’s. Eén licht autistische techneut met een obsessie voor sluipwespen als insectenverdelgers is nog wel amusant, maar robotpoezen voor eenzame ouderen of intelligentiepillen worden al een stuk griezeliger. Snel even een resultaat ‘verkopen’ als de doorbraak voor Alzheimer of het klimaatprobleem ondermijnt de maatschappelijke acceptatie.

Ik heb vooral bezwaren tegen de automatische manier waarop in het Techniekpact techniek wordt gekoppeld aan innovatie en economische groei. Er wordt uitgegaan van een veel te smalle definitie van de vaardigheden die nodig zijn om onze samenleving innovatief te maken. Ja, er moeten mensen zijn die weten hoe je last of titreert of hoe chips worden gemaakt of een elektronenmicroscoop werkt, maar dat is geen doel op zich. Bijna ieder kind beschikt in potentie over technische vaardigheden en verwondering over hoe de dingen werken. Bijna ieder kind wil knutselen en begrijpen hoe iets in elkaar zit, of het nu mierennesten, pluche beertjes of dvd-spelers betreft. Ik zou niet eens durven zeggen dat jonge meisjes daarin potentieel onderdoen voor jongens. Kinderen zijn niet bevooroordeeld door kunstmatige scheidingen tussen alfa, gamma en bèta. Goede onderwijzers (m/v) kunnen alles spannend maken. Het zou in het Techniekpact moeten gaan over techniek als vanzelfsprekend onderdeel van het opgroeien en van de schoolopleiding.

In het verlengde daarvan zou het kabinet in moeten zetten op een samenleving die creativiteit en de ontwikkeling van vaardigheden stimuleert, niet op het vermeerderen van het aantal techneuten die nauwelijks in staat zijn tot communiceren. Wat we nodig hebben zijn mensen die dwars durven denken en zich laten inspireren door ongebruikelijke ideeën en experimenten. Een aantal daarvan kan mooi doorstromen naar de banen die het Techniekpact op het oog heeft. Maar als we niet eerder en breder inzetten op techniek, dan komt het echt niet goed met die zo verlangde innovatiekracht in Nederland. Dat moet de kern zijn van een serieus innovatiebeleid.

Techniek is de zaak van iedereen, want zonder techniek geen welvaart. Maar techniek bloeit niet in isolement omwille van economisch gewin alleen, en vindt zijn toepassing pas als het culturele en intellectuele draagvlak ervoor bestaat. Anders ligt een technocratische samenleving op de loer. In tegenstelling tot wat het Techniekpact suggereert, gaat het niet alleen om earning maar minstens zozeer om learning. Een leven lang.

Louise O. Fresco is universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, bestuurder en schrijfster. Zie ook louiseofresco.com.