Is er verschil tussen de verschillende generaties?

Volgens sommige mensen, en daar zitten zelfs deskundigen bij, bestaan er grote verschillen in karakter tussen mensen van verschillende generaties. Mensen van één generatie hebben bepaalde maatschappelijke ontwikkelingen op hetzelfde moment in hun leven meegemaakt en dat zou ertoe leiden dat ze allemaal, grof gezien, hetzelfde type meningen en gedrag vertonen. In Consulting Psychology Journal: Practice and Research beschrijven Amerikaanse leiderschapsonderzoekers een paar van die stereotypen. ‘Babyboomers’ (geboren tussen 1946 en 1963) zouden hiërarchisch georiënteerd zijn, erg gericht op hun werk en op carrière maken. De generatie na hen, ‘Generatie X’ (geboren tussen 1964 en 1980) zou vooral bestaan uit onafhankelijke, ondernemende geesten met een hekel aan hiërarchie en aanleg voor cynisme.

De Amerikaanse leiderschapsonderzoekers moeten er allemaal niet zoveel van hebben. Ze citeren allerlei onderzoek waaruit blijkt dat mensen van verschillende generaties erg op elkaar lijken, wat betreft hun verwachtingen over hun werk en de toekomst. Bovendien is het moeilijk om te ontwarren wat een kwestie is van leeftijd en wat specifiek is voor een bepaalde generatie – de meeste onderzoeken lopen daar lang niet lang genoeg voor. En, zeggen de onderzoekers, managers in bedrijven zijn meestal oudere mensen, dus van een eerdere generatie. Zou je positie in het bedrijf niet veel meer zeggen over hoe je over je werk denkt, dan of je de oorlog in Vietnam bewust hebt meegemaakt?

Zelf bestudeerden de onderzoekers hoe gemotiveerd mensen van verschillende generaties (en dus leeftijden, en dus ook werkniveaus) zijn als het om hun werk gaat. Ruim 3.400 Amerikanen, werkzaam bij ruim 200 bedrijven, vulden hun vragenlijsten in. De onderzoekers keken naar verschillende soorten motivatie. Extrinsieke motivatie, zoals louter werken om het geld, was vooral iets voor mensen in lagere functies (die gemiddeld inderdaad jonger waren). Intrinsieke motivatie, dus werken omdat je het leuk vindt of omdat je werk past bij hoe je in het leven staat, was juist meer iets voor mensen in hogere functies. En, concludeerden de onderzoekers triomfantelijk, los daarvan waren er geen generatieverschillen. Managers hebben het gemiddeld gewoon beter voor elkaar en naar hun zin op het werk dan hun ondergeschikten.

Hoewel er wel één vorm van extrinsieke motivatie was waar juist de allerhoogste managers last van hadden: het idee dat ze vooral niet mochten falen. Ze moeten hun reputatie bewaken, hun zelfvertrouwen hangt ervanaf of mensen hen als ‘winnaars’ zien. Misschien is het ook een speciaal type mensen dat zulke hoge functies verkiest. Maar met hun generatie heeft dat in elk geval niks te maken.