In de Marais

Omdat het Musée Picasso wegens verbouwing gesloten bleek, bleef ik langer hangen in de Marais, de Joodse wijk van Parijs, dan ik me voorgenomen had. En opeens begonnen me dingen op te vallen waar ik vroeger kennelijk te snel aan voorbij was gegaan.

De Marais lijkt steeds meer zijn Joodse karakter te verliezen. Je ziet er nog wel orthodoxe Joden rondlopen – een jongetje met een zwarte hoed die bijna even groot was als die van zijn vader – maar minder dan enkele jaren geleden. Ook zijn er veel Joodse winkels verdwenen en vervangen door modieuze shops. De veryupping van de Marais gaat snel en lijkt onomkeerbaar. Jammer.

In de Rue des Rosiers frappeerde me de tragische, onbedoelde samenhang tussen twee gevelteksten aan weerskanten van de straat. Op het ene bordje, bevestigd aan een woonhuis stond: „A la mémoire de Rosette (12 ans) et son père Hans Lewkowicz, Esther et Henri Merkier, Esther Ita Sokol, Paulette (1 mois) et Victor (2 ans). Et leur mère Rynka Wajnewaig. Deportés de 1942 à 1944 par le nazis, parce que nés juif, avec la complicité active de gouvernement de Vichy et exterminés dans les camps de la mort.”

Parce que nés juif. Ook al is het een geijkte formulering op dergelijke bordjes, de woede erachter blijft imponeren. Net als die niet mis te verstane toevoeging over de medeplichtigheid van de Vichy-regering aan de deportaties. Niet prettig voor de collaborateurs van toen die er af en toe langs moeten.

Ook aan de overkant was het schrikken. Daar was op een hoek het befaamde restaurant van Jo Goldenberg gevestigd. Het was het kloppend hart van de Marais, journalisten kwamen er hun nieuws garen. Maar het ging bergafwaarts met de zaak en vijf jaar geleden moest Goldenberg sluiten. De naam is nog op de gevel gevestigd, maar het is nu de zoveelste modezaak geworden.

In de geschiedenis van Parijs zal het restaurant blijven voortleven als de plek waar op 9 augustus 1982 een afschuwelijke aanslag plaatsvond. Twee mannen gooiden een granaat naar binnen en openden het vuur op de eters. Zes mensen, onder wie twee Amerikaanse toeristen, kwamen om en er waren 22 gewonden.

Ik stond deze cijfers over te schrijven van een plaquette en vroeg me af wie de daders waren geweest. Waren ze ooit gepakt? Daarover zweeg de tekst.

Later zocht ik het op. Wat ik al vreesde: de moorden waren nooit bestraft. De Franse justitie verdacht Abu Nidal, een beruchte, inmiddels overleden Palestijnse terrorist, maar Nidal heeft de aanslag – tegen zijn gewoonte in – nooit geclaimd.

Nog in 2011 was justitie vergeefs op zoek naar twee leden van een Fatah-commando in Jordanië, die bij de aanslag betrokken zouden zijn geweest.

Achteraf beklijft vooral het cynisme van deze aanslag: juist in de Marais, waar al zoveel leed was veroorzaakt, een nieuwe uitbarsting van antisemitisme.

De volgende dag bezocht ik op het Ile de la Cité achter de Notre Dame het Mémorial des Martyrs de la Déportation, gewijd aan de 200.000 Fransen die naar de concentratiekampen zijn gedeporteerd. De Franse architect Pingusson heeft de genocide een sobere metafoor gegeven: een ondergrondse nauwe ruimte, waar geen blik op de horizon mogelijk is. In de muren van een schemerige, lange gang blinken 200.000 stukjes glas.

Wie in de crypte wil afdalen, moet boven eerst zijn spullen laten onderzoeken door een strenge dame. Parijs zal altijd een herhaling van ‘Goldenberg’ blijven vrezen.