Hier maken ze het de natuur naar de zin

Honderden miljoenen voor ‘technocratisch’ natuurbeheer blijken te zijn verspild. Wat wél werkt: boeren en natuurorganisaties die samenwerken.

Je hoeft de natuur niet altijd te waarderen om de stilte. Boswachter Jan Roodhart wandelt door de Utrechtse Eempolder en luistert naar een concert van talrijke weidevogels boven de graslanden: grutto, kievit, tureluur. „Mooi hè? Net als vroeger.”

De zorg voor de weidevogels in natuurgebied Eemland bij Eemnes geldt als een gezamenlijk succes van Vereniging Natuurmonumenten en omwonende boeren. Hier zijn in tien jaar tijd tien keer zo veel gruttoparen neergestreken. In 2001 werden er nog 36 broedparen geteld, twee jaar geleden waren dat er 365.

En dat terwijl het in de rest van Nederland met de weidevogels slecht gaat. Sinds de jaren 60 van de vorige eeuw zijn 3 tot 6 miljoen broedparen verdwenen; 27 algemeen voorkomende soorten zijn met 61 tot 73 procent teruggelopen. Achtereenvolgende kabinetten hebben boeren honderden miljoenen euro’s verstrekt om natuurvriendelijker te werken. Maar de pogingen om de natuur op het Nederlandse platteland te redden, zijn „op een groot fiasco uitgelopen, ondanks de goede bedoelingen”. Dat schrijft de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur in zijn vorige week verschenen advies Onbeperkt houdbaar, over het natuurbeleid voor de komende decennia.

Het geheim van het succes, vertelt boswachter Roodhart, is samenwerking en deskundigheid. In Eemland is ruim tien jaar geleden na de ruilverkaveling een reservaat aangelegd, met daar omheen weilanden van boeren die in nauw overleg maatregelen nemen om het weidevogels naar de zin te maken: een plas aanleggen; de grondwaterstand verhogen; nesten beschermen; en wachten met maaien tot grutto’s eigener beweging uit hun nest kunnen vliegen.

In Eemland werken veertig boeren samen in een agrarische natuurvereniging, waar óók Natuurmonumenten in deelneemt. Samen bepalen ze wat nut heeft. En wat niet. Een boer pal langs de snelweg krijgt bijvoorbeeld geen subsidie voor grutto’s.

De aanpak in Eemland is een schaars voorbeeld van natuurbeleid dat volgens de Raad voor leefomgeving en infrastructuur efficiënt en succesvol is. „Er is veel geld weggegooid”, zegt Frank Berendse, hoogleraar natuurbeheer en lid van de commissie die het advies heeft voorbereid. Veel geld is naar boeren gegaan die in hun eentje vogels beschermen op een geïsoleerd stukje land. „Dat werkt niet.” Een ander slecht voorbeeld zijn ecoducten over autowegen. Berendse: „Daar hebben we bijna 400 miljoen euro aan uitgegeven, terwijl er onvoldoende wetenschappelijk bewijs is dat ze de toekomst van de populaties van diersoorten verbeteren. Dat hangt namelijk af van de grootte van de natuurgebieden naast die ecoducten.”

Nederland heeft de afgelopen decennia ook te veel aandacht gegeven aan specifieke plant- en diersoorten. Berendse: „Een ooievaar in de winter bijvoeren zodat hij in het voorjaar andere beschermde soorten opeet, heeft weinig zin. En als we haviken gaan afschieten om korhoenders te beschermen, zijn we ook verkeerd bezig.” Veel belangrijker is de oppervlakte aan natuurgebieden vergroten, en om te zorgen dat het in die natuurgebieden goed toeven is door voldoende en schoon water en weinig vervuiling door mest of bestrijdingsmiddelen. Berendse: „Als we aan die voorwaarden hebben voldaan, komen de zeldzame soorten vanzelf. Een ijsvogel die in het water de voorntjes kan zien zwemmen en in een steile oever van een beekdal zijn nest kan graven, daar word ik warm van.”

Het natuurbeleid wordt door veel mensen als „technocratisch” ervaren. „Het leek er lange tijd op dat we alleen maar moesten voldoen aan Europese regels en soorten moesten tellen”, constateert Agnes van Ardenne, lid van de adviesraad en voorzitter van de commissie die het advies heeft opgesteld. Dat moet anders. „Mensen staan in de rij om de handen uit de mouwen te steken. De natuur is van ons allemaal. Mensen willen naar buiten, ze zoeken het paradijs.” Als voorbeeld geeft Van Ardenne de populariteit van de stadslandbouw in Rotterdam. „Dat had niemand kunnen denken.”

De overheid moet volgens de Raad „meekoppelen” met al die initiatieven om de natuur mooier te maken. Voorzitter Henri Meijdam van de adviesraad: „Het natuurbeleid hangt te veel af van de politieke voorkeuren van verschillende kabinetten. Je kunt je natuurbeleid beter baseren op die tienduizenden maatschappelijke initiatieven in de samenleving. Als je die dynamiek serieus neemt, wordt het natuurbeleid op langere termijn vanzelf een stuk robuuster.”

Wie van natuur profiteert, moet er voor betalen. Daarom stelt de Raad een nieuw systeem van rechten en plichten voor: de overheid geeft rechten uit waarmee geld aan natuur kan worden verdiend, in ruil voor de plicht deze natuur te onderhouden. Zoals een bedrijf in bloemsierkunst, dat in ruil voor vestiging op een landgoed ook het beheer van dat landgoed voor zijn rekening neemt. Of windmolenparken op zee toestaan, op voorwaarde dat de opbrengst deels wordt gebruikt voor ecologische bescherming. Of, wat al gebeurt, drinkwaterbedrijven die duinen beschermen en beheren in ruil voor het gebruik ervan.

„De mogelijkheden zijn niet voldoende benut”, zegt Van Ardenne. Deze rechten zouden het best in handen kunnen komen van gebiedsfondsen, aldus de Raad, waarin overheden, bedrijven, boeren en particulieren samen „offertes” uitbrengen om natuurgebieden waarvan ze profiteren langdurig te onderhouden. „Dat is het ideaal”, zegt Berendse.