Gebruik richtlijnen voor omgangszaken

De kennis over omgangszaken na ‘vechtscheidingen’ is veel te beperkt. Maak gebruik van speciale richtlijnen, vindt Corine de Ruiter.

Hoe kan het dat de jeugdzorg in Nederland er in een periode van vier jaar niet in slaagt om een hoogopgeleid, gescheiden echtpaar met twee zoontjes zodanig te begeleiden dat een voor alle partijen leefbare situatie ontstaat? De belangrijkste oorzaak is het ontbreken van specialistische deskundigheid bij de medewerkers van het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling, Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming.

Bijna alle medewerkers van deze instanties zijn geschoold als hulpverleners. Een extreme ‘vechtscheiding’ is per definitie slecht voor de betrokken kinderen. In zo’n situatie dient een door de rechter benoemde gedragsdeskundige gespecialiseerd in omgangszaken een neutrale en objectieve evaluatie uit te voeren. Het probleem is dat die deskundigen er in Nederland nauwelijks zijn.

Er zijn ook geen Nederlandse bestpractice-richtlijnen voor dit type onderzoek, met grote kwaliteitsverschillen tot gevolg. In de VS, Australië en Nieuw-Zeeland hebben beroepsorganisaties en/of overheden die richtlijnen wel vastgesteld.

Juist in de omgang met de kinderen na echtscheidingen (omgangszaken) is forensisch-diagnostisch onderzoek complex. De deskundige moet in staat zijn de kwaliteit van de ouders als opvoeders vast te stellen, de interactie tussen ouders en kind, en tussen de ouders onderling, te observeren en te waarderen, en de psychologische ontwikkeling van de kinderen in kaart te brengen. Als er beschuldigingen van kindermishandeling zijn, zoals in de casus van de broertjes Ruben en Julian, dient ook een gestructureerde risicotaxatie deel uit te maken van het onderzoek.

Recente publicaties van de Kinderombudsman en de Nationale Ombudsman hebben laten zien dat bij onderzoeken in omgangszaken nogal eens fouten worden gemaakt en dat veel ouders zich niet gehoord en gezien voelen door de onderzoekende deskundigen.

De meest gehoorde klacht over rapporten in omgangszaken is dat ze onvoldoende objectief zijn. Zogenaamde confirmation bias, het interpreteren in een enkele richting, is een groot gevaar. Dit treedt op als een deskundige zich laat leiden door persoonlijke ervaringen met een van de strijdende partijen; door het selectief hanteren van bepaalde hypothesen of kaders of door selectieve interpretatie van testresultaten.

Deze partijdigheid wordt in de hand gewerkt door de (vaak extreme) strijd die in dit type zaken gevoerd wordt. De onderzoeker wordt gemakkelijk ‘meegezogen’ in het verhaal van een van de partijen. In het geval van Ruben en Julian dient de vraag bijvoorbeeld gesteld te worden of de bezorgdheid van de moeder over vermeende mishandeling van de kinderen door hun vader terecht was, of dat deze werd ingegeven door wraakzuchtige motieven, iets wat vaker voorkomt bij vechtscheidingen. Ook de mogelijk aanwezige psychische problematiek bij de ouder(s) wordt vaak over het hoofd gezien, door gebrek aan deskundigheid.

Om objectiviteit en zorgvuldigheid te garanderen dient gebruik gemaakt te worden van een gestructureerde taxatierichtlijn. Zo’n richtlijn is gebaseerd op wetenschappelijke evidentie, en dwingt de deskundige alle relevante en noodzakelijke aspecten in het onderzoek mee te nemen. Het gaat dan om zaken als: is er sprake van psychische stoornissen bij de ouders? Hoe zit het met gebruik van alcohol en drugs? Met hun kennis over de ontwikkeling en opvoeding van kinderen? Opvoedingsvaardigheden? Zijn er relatieproblemen?

De richtlijn dwingt de onderzoeker tevens om meerdere bronnen van informatie te raadplegen. Dus niet alleen praten met de ouders, maar ook met de beste vriend/-in van die ouders, de leerkracht van de kinderen en last but not least met de kinderen zelf. En ja, ook dient informatie verzameld te worden over mogelijke psychische stoornissen bij de ouders, via de huisarts en via hun eventuele psychiater. Daarvoor dient de doorgeslagen nadruk op privacy in Nederland geofferd te worden, in het belang van het kind. Dit betekent uiteraard niet dat die informatie ‘op straat’ komt te liggen; de deskundige is gehouden aan zijn beroepsgeheim. Maar hij heeft die informatie nodig om een objectieve en zorgvuldige afweging te kunnen maken.

Gebruik van een taxatierichtlijn geeft duidelijkheid over de risico’s in een gezin, en dat is ook meteen de start van een systematisch plan van aanpak. Als de ouders bijvoorbeeld hun onderlinge strijd voortzetten over de hoofden van hun kinderen, moet de hulp daarop gericht zijn.

Als een van de ouders teveel stress ervaart, en daardoor soms de kinderen veel te streng aanpakt, is dat een belangrijk aandachtspunt. Een Ondertoezichtstelling (OTS) is geen hulp. Soms lijkt het of men binnen de jeugdzorg de OTS als de oplossing voor de problemen ziet. Alleen als die OTS gepaard gaat met goede en bij de risico’s passende hulp, is er sprake van een terechte interventie.

We zullen de komende tijd nog veel achtergrondinformatie krijgen over de tragische dood van Ruben, Julian en hun vader. Het zit altijd anders in elkaar dan het op het eerste gezicht lijkt, is mijn ervaring. Het is mijn hoop dat met de transitie van de jeugdzorg naar de gemeente nu echt werk gemaakt wordt van kwaliteitsverbeteringen in de zorg voor in hun ontwikkeling bedreigde kinderen als Ruben en Julian. Specialistische opleidingen voor forensisch-psychologisch onderzoek in omgangszaken, best-practice-richtlijnen en gestructureerde risicopreventie dienen eindelijk prioriteit te krijgen.

Corine de Ruiter is hoogleraar forensische psychologie aan de Universiteit Maastricht en ontwikkelaar van de Child Abuse Risk Evaluation-NL (CARE-NL), gestructureerde richtlijn voor risicotaxatie kindermishandeling.