Dicht op de huid van twee transgenders

Whatever will be. Regie: Esther Prade. Zondag 26/5 in Lantaren/Venster, Rotterdam. Daarna tournee.

Huiselijker en voyeuristischer zijn documentaires zelden. Esther Prade volgde twee jaar lang twee transseksuelen: de extraverte Cilla en de meer ingetogen Ilona. Centraal staat de vraag of zij zich zullen laten opereren en of zij gelukkig zullen worden wanneer zij hun mannelijke geslachtsorganen ingeruild zullen hebben voor vrouwelijke. Cilla en Ilona, vanaf een bepaald moment samenwonende vriendinnen, krijgen daar zelfs ruzie over. Daarbij staat de vraag centraal wie nu eigenlijk meer een authentieke transseksueel is.

De verdienste van Prades film is dat haar onderwerp zeer nabij komt, bijvoorbeeld in de schildering van de huiselijke ruzies van het onwaarschijnlijke tweetal. De stijl van de film vertoont overeenkomsten met die van filmmaker Frans Bromet, met wie Prade ooit heeft gewerkt. Minder geslaagd is dat de filmmaakster de kijker vanaf het begin verveelt met verder niet ter zake doende bijzonderheden over een depressie die zij eens heeft doorgemaakt.

Documentaires over transseksualiteit hebben vaak als effect dat zij de kijker confronteren met de toevalligheid van zijn eigen seksuele oriëntatie en begrip wekken voor de medemens bij wie dat even toevallig niet zo duidelijk is. Dat is zo in I am a woman now van Michiel van Erp (2012) waarin transseksuelen die zich in de jaren vijftig en zestig in Casablanca lieten opereren, terugkijken op hun leven. Deze hoogte bereikt Whatever will be niet. Als je het aardig formuleert, kun je zeggen dat de film een vaak vermakelijk inkijkje biedt in het leven van medeburgers met een ongewoon probleem. Iets onaardiger geformuleerd blijft Whatever will be toch een beetje een freakshow.