Boren in het duistere hart van Indonesië

The Act of Killing Regie: Joshua Oppenheimer. In: 15 bioscpen.

The Act of Killing van de jonge Amerikaanse regisseur Joshua Oppenheimer is een essentiële film voor wie geïnteresseerd is in de bloedige geschiedenis van de twintigste eeuw, ‘de eeuw van extremen’. Maar ook voor wie dieper wil nadenken over wat precies het kwaad is dan een recente film als Hannah Arendt voor elkaar kreeg. De film bevat daarnaast interessante ideeën over de dunne grens tussen authenticiteit en rollenspel, tussen feit en fictie, zowel in de documentaire zelf als in de maatschappij. De film laat op indrukwekkende wijze zien hoe film nog steeds gebruikt kan worden als een politiek wapen in een uiterst gevoelig debat over een zwarte bladzijde in de geschiedenis. The Act of Killing is, kortom, een essentiële film voor iedereen.

Oppenheimer, die stamt uit een familie van Duitse joden die in de jaren dertig naar Amerika vluchtten, houdt zich al meer dan tien jaar bezig met het onderwerp genocide. Hij belandde in Indonesië om een film te maken over de slachtoffers van de genocide van 1965, toen na een militaire staatsgreep meer dan een miljoen vermeende communisten, etnische Chinezen en andere minderheden werden vermoord. Maar de slachtoffers en nabestaanden durfden niet te praten uit angst voor represailles van daders, die niet alleen nooit zijn berecht en vrij rondlopen, maar zelfs als helden van het vaderland worden gevierd.

Oppenheimer verlegde zijn aandacht naar de daders en dat schoot meer op: vaak gangsters en ander straatgeboefte die in 1965 als doodseskaders werden ingezet door het leger om het smerige werk te doen. Zij wilden wel praten. Zo vond hij Anwar Congo, die een groot aantal doden op zijn geweten heeft, die hij veelal om het leven bracht door hen met ijzerdraad de keel door te snijden.

De methode keek hij af van Amerikaanse gangsterfilms, want Anwar en zijn kornuiten waren grote filmfans en verdienden hun brood onder meer met het verhandelen van bioscoopkaartjes op de zwarte markt. Anwar praat openlijk over zijn daden en gaat er zelfs prat op. Zijn schuldgevoel en walging over wat hij heeft gedaan, heeft hij lang kunnen onderdrukken met drank, joints en xtc. Naarmate hij ouder wordt, slaagt hij daar steeds minder goed in.

Gaandeweg de film wordt steeds duidelijker hoezeer de man is getraumatiseerd door de gebeurtenissen, hoe hij er steeds minder in slaagt om zijn gevoel uit te schakelen, zoals sommige andere daders die nog steeds ogenschijnlijk ijskoud over gebeurtenissen praten en die inmiddels de maatschappelijk ladder hebben beklommen.

Oppenheimer gaat niet alleen met Anwar Congo terug naar de plaatsen van het onheil, hij laat de gangsters ook hun herinneringen aan de gebeurtenissen van 1965 uitbeelden in filmscènes, in de genres die de mannen lief zijn: van gangsterfilm tot musical. Daardoor komen ze los en worden gruwelijke details direct aanschouwelijk gemaakt, maar het procédé heeft ook een behoorlijk vervreemdend effect.

In de voorbereidingen op de scènes komen veel verhalen los. Wat misschien begon als een praktisch middel, bijna een trucje, om de mannen aan de praat te krijgen, roept ook meteen boeiende filosofische problemen over wat nu precies het verschil is tussen een rol spelen en jezelf zijn, of er nu wel of niet een camera aan staat.

De film is ook een verwarrende ervaring door het medelijden dat de kijker onvermijdelijk krijgt met Anwar zonder dat de film ook maar een moment verbloemt hoe gruwelijk zijn handelwijze is geweest.

Oppenheimer is vol van zijn onderwerp, dat blijkt uit elke scène. Formeel is The Act of Killing niet perfect, de film is zelfs lichtelijk chaotisch. Dat is geen bezwaar, Oppenheimer heeft belangrijker zaken aan zijn hoofd dan formele volmaaktheid. Prettig is het bepaald niet om zo diep af te dalen in het hart van de duisternis. Weinig kijkers zullen het vermoedelijk kunnen opbrengen om The Act of Killling nog een keer te bekijken als ze de film eenmaal hebbend doorstaan. Dat geeft niet: ook na één keer kijken staat The Act of Killing in het geheugen gegrift.

Peter de Bruijn