Via de dood naar het leven

De laatste jaren was het stil rond schrijfster Connie Palmen. Ze wilde zichzelf „weg maken” na de dood van haar geliefde Hans van Mierlo. Nu is ze op de weg terug. Dit is wat ze van het leven weet – tot nu toe.

Foto Bob van der Vlist

C onnie Palmen kan er heimelijk van genieten: rouwadvertenties. Ze probeert zich een beeld te vormen van de levens achter de namen. Waarom kiest de een het idiote ‘mijn liefdesmaatje’ en de ander het afschuwelijke ‘mijn levenspartner’? Citeren de achterblijvers uit bekend werk of doen zij zelf een dichtpoging? „En soms moet ik lachen”, zegt ze. „Dan staat er ‘la vie est brève’ – het leven is kort – onder een advertentie van iemand uit 1911.”

Drie jaar geleden overleed haar echtgenoot Hans van Mierlo aan de gevolgen van een levertransplantatie. In hun Amsterdamse grachtenwoning heeft zij zich omringd met foto’s van de oprichter van D66 – haar tweede grote liefde na journalist Ischa Meijer, die vijftien jaar eerder aan een hartaanval overleed. „Ik ben héél graag dicht bij iemand”, vertelt zij. „Ik ben héél graag intiem. Maar na 57 jaar weet ik dat dat zelden voorkomt. Het zijn de parels van het leven.”

Door het gemis aan intimiteit probeerde Palmen zichzelf „weg te maken” na de dood van Van Mierlo. Hield zij haar drankzucht tijdens hun twaalf jaar lange relatie in bedwang, als weduwe verloor zij de controle. „Na een dag zwoegen wilde ik in de avond de pijn en de angsten bezweren. Daar is wijn fantastisch voor. Maar ik joeg ook veel vrienden en familie weg. Mensen die veel van mij houden werden ongerust, dat trok ik mij aan. Na een paar dieptepunten kon ik het niet meer negeren. Dat is de reden dat ik besloot te stoppen. Het móest.”

Omdat het op eigen kracht niet lukte om af te kicken – Palmen probeerde het een paar keer – klopte zij twee maanden geleden aan bij een Amsterdamse verslavingskliniek. Een grote stap voor iemand die zelden om hulp vraagt. Hulp vragen schaart de schrijfster onder het kopje intimiteit. „‘Help mij’ is intiem”, zegt zij.

De afgelopen drie jaar stonden in het teken van overleven. De meest oninteressante manier van leven, vindt Palmen, en toch heeft zij moeite dat op te geven. „Want permissief tegenover je eigen ondergang staan levert ook een geluksgevoel op. Het is lekker jezelf te laten gaan. Bovendien moest ik dan toegeven dat ik een leven zonder man toch nog de moeite waard vind. Ik moet daar mijn best voor gaan doen, dat is inherent aan die beslissing.”

De sterk vermagerde schrijfster voelt zich „hondsberoerd” door de ontwenningsverschijnselen. Maar ze weet ook dat zij voldoende wilskracht heeft om haar drankzucht te temmen. „Als de bijl eenmaal valt, kan het alleen met overtuiging. En discipline loont. Het is net zo aangenaam om gedisciplineerd te zijn als om het niet te zijn. Het is net zo heerlijk om te verloederen als het tegendeel. Ze horen bij elkaar.” Iedere dag loopt zij een uur door Amsterdam. Onwennig, de schouders opgetrokken. „Want ik houd erg van onbeweeglijkheid”, grinnikt zij. Door niet meer aan haar drankzucht toe te geven, komt er weer ruimte voor haar grootste talent: schrijven. Ze had ook een punt achter haar schrijverscarrière kunnen zetten, beseft Palmen. Niet dat zij dat overwoog, maar door de drank kreeg zij de afgelopen jaren geen letter op papier.

Toch zat zij niet stil. Palmen werkt aan een roman over schrijverschap als verraad. Schrijvers zijn volgens haar verraders. Ze trekken het gordijn open en roepen ‘kiekeboe, betrapt’. Die vorm van verraad – als openbaring – is het onderzoeken waard. „Ik probeer altijd een stap verder te zetten in het overschrijden van grenzen tussen wat anderen fictie noemen en wat ik fictie vind. Niet om te provoceren, maar omdat ik zelf die grenzen aan het verkennen ben.”

Ze las talloze biografieën en de evangeliën ter inspiratie. En ze koos een motto, van Oscar Wilde: ‘Every great man nowadays has his disciples, and it is usually Judas who writes the biography’. Als alles meezit begint zij deze zomer aan haar eerste roman in zes jaar. „Maar ik laat mij niet opjagen”, haast zij zich te zeggen.

■„Een goede roman is persoonlijk. Veel auteurs creëren een ik-persoon die nauw verwant is met henzelf: Philip Roth, Gerard Reve, Marguerite Duras... Door voor een autobiografische stijl te kiezen, kun je alles wat je hebt in je werk leggen. Dat betekent niet dat alles in een roman waar of belééfd is. Schrijvers selecteren, ontrafelen en maken onverwachte, nieuwe verbintenissen. Je mag er niet van uitgaan dat alles autobiografisch is aan een persoonlijke roman. Maar lezers – ook recensenten – verwarren dat. Ze ervaren een persoonlijke stijl als intiem. En hoewel ik in mijn werk graag de suggestie van intimiteit wek, gaat het om het resultaat van een verkozen stijl. Ik geef vorm als ik schrijf. En dus schep ik afstand. Je kunt niet intiem zijn en afstand scheppen tegelijk. Misschien dat ik daarom moeite heb met groepen: écht contact is niet de bedoeling. Of ik nou tussen lezers, schrijvers of journalisten zit, ik gedraag mij clownesk. Omdat ik een verschil wil maken tussen wat publiek en privé is. Niet uit zelfbescherming, maar om het afbakenen. Ik wil niet iedereen kennen noch door iedereen gekend worden.”

■„Ik ben niet zo tolerant. Ik weet na twee pagina’s of ik een boek goed of slecht vind. Afkeuren en verwerpen is net zo heerlijk als bewonderen. Je velt ongenuanceerd een oordeel en stelt dat eventueel later bij. Als ik oordeel over het werk van andere schrijvers, is dat tegelijkertijd een verdediging van mijn eigen werk. Omdat mijn boeken aangevallen worden, of omdat de literaire kritiek geen onderscheid meer maakt tussen een roman en populistisch werk. Alles wordt tegenwoordig over één kam geschoren. Waardeoordelen blijven achterwege waar ze wel toegekend zouden moeten worden. Over het werk van Saskia Noort heb ik een hard oordeel geveld, ja. Niet om Saskia – want ik vind haar een aardige, verlegen vrouw – maar omdat haar boeken als ‘literaire thrillers’ worden aangemerkt. Het woord ‘literair’ is volstrekt niet op z’n plaats. Populistische boeken zijn wegwerpartikelen.”

■„Ik ben arrogant als het om mijn werk gaat. Ik ben altijd diep overtuigd geweest van mijn eigen kunnen. Wat mijn werk betreft dan hè. Ik weet wat ik doe. En ik kan de keuzes die er aan ten grondslag liggen – wat vorm, genre en stijl betreft – verdedigen. Als je je eigen werk niet kunt verdedigen, dan kun je het net zo goed niet maken. Iedere kunstenaar kan zijn eigen werk verdedigen. Omdat alle kunst over denken gaat. Je kunt altijd een denkproces expliciteren of er inzicht in verschaffen. Als mensen mijn werk niet goed vinden heb ik daar geen probleem mee. Nee, écht. Ik kan me geen slechte kritieken herinneren, het glijdt van me af. Dat neemt niet weg dat ik het spannend vind als mijn boeken beoordeeld worden. Het heeft wat van examenvrees.”

■ „Je kunt beter zonder parachute uit een vliegtuig springen dan met iemand intiem worden. Op de lagere school was ik heel onafhankelijk. Er was niemand die ik de moeite waard vond of van wie ik mij afhankelijk durfde maken. Dat veranderde op mijn zestiende, toen ik het meisje ontmoette dat de inspiratiebron vormde voor De vriendschap. Met onze vriendschap begon een proces van aantrekken en afstoten dat, achteraf gezien, veel met onzekerheid en onderlinge jaloezie te maken had. Van dat machtsspel had ik een afkeer. Je verliest bijna al je controle in intimiteit, dat is bijna een voorwaarde. En het is tegelijkertijd de grootste schoonheid ervan.

„Ik heb wel eens geschreven dat je geen liefde zult kennen als je bang bent voor afhankelijkheid. Dan loop je de mooiste dingen in het leven mis. Maar daar ligt ook een gevaar. Mensen die afhankelijkheid niet onderkennen zijn de meest misbruikte mensen. Ik vind dat een belangrijk thema en nagenoeg al mijn romans gaan erover. Afhankelijkheid is het ondergeschoven kindje van de 20ste eeuw. Het is een verhulde menselijke conditie. Terwijl je veel meer begrijpt op het moment dat je afhankelijkheid erkent – te beginnen bij jezelf. Maar het zou ook maatschappelijk schelen, als mensen hun onderlinge afhankelijkheden beter onder ogen zouden zien.”

■ „Macht is een goed instrument om de wereld te begrijpen. Ik duid snel iets als een machtsspel of een machtsverhouding. Daar ben ik voortdurend mee bezig. Als ik bij de slager sta, vraag ik altijd of hij nog even de snijrichting wil aangeven. Aan dat soort dingen ontleent hij trots. Hij is de kenner, ik maak mij bewust afhankelijk. Niet als dom blondje, maar als iemand die hem de eer geeft die hem toekomt. Mensen vinden het fijn als ze respect krijgen voor hun werk. Het maakt toch een groot deel van hun leven uit. Ischa had dat ook goed door. Hij stond vaak lang te kletsen met mevrouw Witschge van de poelier. Hoe lang moet het fazantje in de oven? Scheutje water, afblussen, cognac? Hij hield op dat moment écht van mevrouw Witschge. Ik vond dat fantastisch. Ischa had een groot vermogen om van mensen te houden. Hij was een goed mens, een schaap in wolfskleren. Geen pleaser. Dat gold niet voor Hans. Bij hem was het evident dat hij een goed mens was.”

■ „Ik val op bange mannen. Hans toonde veel moed in zijn politieke loopbaan, maar hij was ook bang voor verlies. Dat stelde mij gerust, want angstiger dan mij krijg je ze niet. Erkennen dat je bang bent tegenover iemand die dat ook is, is intiem. En opwindend: er worden oude angsten bloot gelegd. Het opgeven van angst gaat gepaard met verlies van bescherming. Je ontdoet je van maskers die je per se nodig denkt te hebben. En hoe publieker een persoon, hoe groter zijn of haar angst voor het private. Publiek-bang-intiem... het is een hemelse cocktail.

„Dat verklaart waarom de twee mannen in mijn leven een publiek bestaan leidden, dat heeft met deze combinatie te maken. Ik verwacht niet dat iedereen dat begrijpt. Maar ik ben niet bekend geworden door bekende mannen. Ik vond mezelf pas de moeite waard op het moment dat ik de stap naar een publiek bestaan gewaagd had met het publiceren van een boek. Zo’n stap vergt moed. Je doet iets dat anderen niet gedaan hebben of niet konden. Daar komt veel overtuigingskracht bij kijken. Ik had genoeg gelezen om mijn eigen werk te vergelijken met wat er was. En ik wist zeker dat een roman als De wetten [die voor haar grote doorbraak zorgde] nog niet bestond.”

■ „Roem en dood liggen dicht bij elkaar. Lang voor De wetten had ik het onderwerp ‘roem’ uitvoerig bestudeerd. In Het weerzinwekkende lot van de oude filosoof Socrates – mijn filosofiescriptie – onderzoek ik wat er gebeurt als iemand publiek eigendom wordt. Ik wilde mijn eigen verlangen naar het publieke terrein begrijpen. Ik wilde voorbereid zijn als die roem mij ten deel viel. Roem, concludeerde ik, is gevaarlijk. Beroemde mensen worden beoordeeld als persoon zonder dat ze gekend zijn. Met intimiteit heeft het allemaal niets te maken. En daar moet je mee om kunnen gaan.

„Hans had meer moeite dan ik met kritiek van onbekenden. Hij vond het onverdraaglijk als mensen hem niet aardig vonden. Dat is geen kwestie van karakter, want Hans had een nobeler karakter dan ik. Het is een resultante van het nadenken over roem. Ik doe niet aan Twitter en Facebook. Ik hoef niet te weten hoe mensen over mij denken. Ik heb geen bevestiging nodig van vreemden. Wel voor mijn werk, maar niet voor mijn persoon. Ik ben niet per se aardig. Ik selecteer mensen voor wie ik aardig ben.”

■ „Je moet doen waar je bang voor bent. In De wetten gebruik ik het beeld van iemand die achterop een motor zit. Zodra je de bocht door gaat schreeuwt je lichaam: zo ver mogelijk bij dat asfalt vandaan! Maar de kunst is nu juist om dat soort signalen te negeren en mee te gaan in die bocht. Dat is moeilijk voor gecontroleerde mensen, ik weet het. Maar het is de enige manier om te krijgen waar je zo hartstochtelijk naar verlangt.”

■ „Ik ben niemands moeder. Ik heb nooit moeder willen zijn, van niemand. Ook geen stiefmoeder. En in die verhouding stond ik ook niet tot de dochter van Ischa. Jessica kwam een halve dag per week bij ons. Ik gedroeg me tegenover haar zoals je dat van een volwassene mag verwachten: aardig, verantwoordelijk. Maar een stiefmoeder? Nee. Dat zij mij in haar boek Een blik jodenkoeken verwijten maakt, is jammer. Maar het is haar verhaal. Het schittert niet door zelfreflectie. Ze zoekt de schuld bij anderen als ze stelt dat haar eetproblemen een gevolg zijn van I.M [het in 1998 gepubliceerde boek over Palmens relatie met Ischa Meijer]. Jessica was dertien toen I.M. verscheen en nog vrij kinderlijk. Ik zag geen enkele reden mijn werk met haar te bespreken voor het verscheen. I.M. is geen boek voor een dertienjarige. En als ze het werk van haar vader had gelezen, was ze niet overvallen door de inhoud. Wat in I.M. staat had zij ook in zijn boeken kunnen lezen.”

■ „Ik sta niet bekend om mijn tact. Ischa overleed op zijn verjaardag aan een hartaanval. Hij werd maar 52. Ik was kapót toen ik het hoorde. We hadden de kinderen niet kunnen bereiken. Een uur nadat ik thuis was stond Jessica voor de deur. Het huis zat vol mensen. Wat zeg je in zo’n geval? Zet je fiets maar even weg en kom op de stoep zitten? Misschien. Maar er zat maar één zin in mijn hoofd: ‘Ischa is dood’. Tact is niet mijn sterkste kant. Ik heb gewoon geen andere zin bedacht dan deze. Ik was in shock. Ik wist het net.”

■ „Er zijn verschillende gradaties van alleen-zijn. Het is moeilijk om de dood van Ischa met die van Hans te vergelijken. Ischa was mijn eerste liefde. Ik was 39 toen hij overleed. Ik zat in een andere levensfase en wilde nog veel. Mijn levenszucht was aanzienlijk groter dan nu, na de dood van Hans. Ik heb het leven altijd zwaar en moeilijk, maar ook schitterend gevonden. Alles. Ik vind het een wonder om te leven. De stad, de mensen, de muziek, kunst... ik vind het prachtig.

„Niet alleen ben ik een genotzuchtig persoon, maar ik geniet ook. Waar ik dat aan relateer is een diep en altijd aanwezig doodsbesef. Die twee hangen samen, dat had Freud goed gezien. Hoe groter de levenslust, hoe groter de doodsdrift. Als kind had ik al sterke fantasieën over de dood. Ik verbeeldde me dat mijn ouders en broer dood gingen en uiteindelijk ik zelf. Dat was een manier om euforisch te worden over het feit dat ik besta. Via de dood naar het leven. Het besef dat het merkwaardig en verrukkelijk is te leven. Dat het je verstand te boven gaat. Misschien vind ik het daarom verschrikkelijk als iemand doodgaat, ook voor degene zelf. Dat er een einde komt aan dat wonder. Daarom bekijk ik ook al die rouwadvertenties: wat erg, het leven dat ophoudt, al die mensen die maar dood moeten. Dramatisch.”