Nee Robert, dit kan je geen wielrennen meer noemen

Robert Gesink stelde zondag zwaar teleur in de Giro Het was worstelen op twee wielen De wielrenner is jarenlang onomstreden geweest, maar de twijfel rond de kopman van Blanco neemt toe

Cyclists pedal during the 15th stage of the Giro d'Italia, Tour of Italy cycling race, from Cesana to Col Du Galbier, Italy, Sunday, May 19, 2013. A superb solo ride up the grueling Col du Galibier enbaled Giovanni Visconti to win a weather-affected 15th stage of the Giro d'Italia Sunday, while favorite Vincenzo Nibali retained the overall lead. Atrocious weather conditions once again altered the race course and heavy snow fell at the finish as Visconti won in a time of 4 hours, 40 minutes, 52 seconds, beating Carlos Betancur and Przemyslaw Niemiec by 42 seconds. (AP Photo/Fabio Ferrari) AP

Redacteur Wielrennen

Hij sleurde en slingerde, hij snoof en hij snotterde, hij trok zijn stuur bijkans uit elkaar en zijn mond stond zo ver open dat je kon zien wat hij die morgen had ontbeten. Zijn fiets kraakte en zijn benen braken – maar het hielp allemaal niets. Wat Robert Gesink zondag deed op de flanken van de Col du Télégraphe was geen wielrennen.

Het was worstelen op twee wielen.

De Giro d’Italia was hét doel van dit seizoen voor Gesink, maar het zicht op het podium is inmiddels verdwenen. Hij overleefde de hectiek van de eerste week, hij beperkte de schade in de tijdrit – maar op het moment dat het hooggebergte opdoemde, liep de motor vast.

Alweer.

Bij de eerste grote etappe bergop kreeg hij al een tik; zaterdag ging hij knock-out toen hij in de rit naar de top van de Jafferau, bevangen door de kou, meer dan vier minuten verloor. Op zondag probeerde hij nog wel om aan te vallen, maar veel meer dan een losse flodder was het niet. Renners volgden hem fluitend; concurrenten die hij jaren geleden zonder problemen wegreed.

De Robert Gesink van 2013 is slechts een schim van de Robert Gesink van 2008 – het talent dat in Parijs-Nice zijn vleugels uitsloeg op de Mont Ventoux en op Cadel Evans na iedereen uit het wiel reed. Hij lijkt niet meer op de renner die in 2009 een gooi deed naar de eindzege in de Ronde van Spanje, of op de man die in 2010 zesde werd in de Tour de France.

Eigenlijk heeft Gesink sinds het overlijden van zijn vader (oktober 2010) en – vooral – zijn bovenbeenbreuk (september 2011) zijn oude klimniveau niet meer gehaald. Vliegen is volgen geworden; fladderen is nu harken. In zijn arsenaal ontbreekt een wapen. Explosief vermogen om het verschil te maken heeft hij niet, een grote versnelling om iets te forceren krijgt hij niet rond. Toen hij zijn bovenbeen brak voorspelden medici al dat hij maanden, zo niet jaren, nodig zou hebben om zijn oude niveau te halen – en dat vooruitzicht lijkt uit te komen.

In trainingen mag hij dan nog zulke goede waarden scoren; wedstrijden zijn een ander verhaal. Neem de Giro-etappe van afgelopen zondag. De Blanco-kopman werd daarin ook voorbijgereden door Wilco Kelderman – een jonge ploeggenoot die in trainingen vaak alleen maar Gesinks achterwiel ziet.

Rond Gesink is de afgelopen jaren een verwachtingspatroon ontstaan dat hem steeds verder onder druk zet. Jaren geleden was hij de grote belofte, de keurige tegenpool van enfant terrible Thomas Dekker. Nu is hij het uithangbord van zijn ploeg en van het Nederlandse wielrennen. Zijn ploeg, het Nederlandse publiek, de media en hijzelf verwachten van hem dat hij podiumplaatsen (en misschien wel meer) haalt in grote rondes. Bidons of regenjackjes heeft hij nooit hoeven te halen: hij is al heel jong in de rol van kopman geduwd, met een bijpassend salaris.

Maar bij die rol horen verplichtingen.

Hij is pas 26, maar de tijd is voorbij dat hij respijt kreeg vanwege zijn leeftijd. Dat is al enige jaren zo trouwens. Het móet nu, of liever nog: gisteren. En als het niet lukt, dan wordt hij afgemaakt door fans en journalisten. Daar kan Gesink moeilijk mee omgaan. Hij leest alles, tot de wielerforums op internet aan toe, en hij maakt zich druk om ieder onvertogen woord. Hij was laaiend toen voormalig Rabobank-ploegleider Adri van Houwelingen publiekelijk kritiek op hem had, en hij stond op zijn achterste benen toen tv-commentator Johan Derksen hem als „slapjanus” bestempelde in het RTL-programma Tour du Jour. Gesink helpt zichzelf er niet mee. Het is verloren energie.

Binnen zijn ploeg is Gesink jarenlang onomstreden geweest, maar de twijfel rond hem neemt toe. Zijn beroepsernst stond, en staat, nooit ter discussie: er zijn weinig renners die hun schema’s zo nauwkeurig uitvoeren als hij. Maar hij kan er ook mee overdrijven. Gesink verliest zich in de details; hij is niet in staat om te ontspannen of te relativeren. Hij kan de hele ploeg op trainingskamp laten wachten als zijn vermogensmeetsysteem moet worden overgezet van zijn ene op zijn andere fiets, hij twijfelt tot op het laatste moment over welke set-up zijn tijdritfiets moet hebben en hij kan geen rust in zijn hoofd vinden als hij een dag – door wat voor een oorzaak dan ook – niet zijn programma heeft kunnen uitvoeren zoals dat was gepland.

Gesink staat op een kruising, ook al omdat het nog niet duidelijk is of de ploeg waarvoor hij nu rijdt volgend jaar nog bestaat. Óf hij wordt een renner die een topklassement kan rijden in een grote ronde, óf hij richt zich voorlopig op andere doelen – misschien wel in dienst van een kopman die wél het podium kan halen.

Hij is in deze Giro inmiddels weggezakt naar de dertiende plaats in het klassement. Er moet een wonder gebeuren wil hij zijn goede benen hervinden. Want Robert Gesink worstelt niet alleen met de rest van het peloton, maar ook met zichzelf. Wellicht dat hij in de Tour of in de Vuelta iets recht kan zetten, maar de tijd begint te dringen.

Met beloftes is het net als met flessen wijn in de brandende zon. Als ze te lang blijven liggen, dan worden ze zuur.