Mussenparadijs

Dankzij oplettende supermarktbezoekers heb ik de broedplaats van de winkelwagenmussen (Achterpagina, 7 mei) gevonden, op hooguit 100 meter van hun hangplek – de karretjesstalling op de parkeerplaats. De kolonie, van een paartje of twaalf, bevindt zich onder de dakpannen van een oud huis langs de Kralingseweg, met een door braam en vlier overwoekerde tuin, een verzakt schuurtje en een kippenhok. Het vervallen, vrijstaande woonhuis staat in schril contrast met de aangrenzende nieuwbouwvilla, een glazen kantoorpand en het suffe winkelcentrum. Door de losliggende dakpannen en de dichte, rommelige tuinvegetatie is het een waar mussenparadijs. Het is een overblijfsel van de oorspronkelijke bebouwing langs de weg die ooit door de polder liep. De mussen vormen een eilandpopulatie. In de wijde omgeving is geen geschikte biotoop. Het is er te strak en te netjes: te veel grinttegels en Gammaschuttingen, geen (losse) dakpannen.

Populaties van stadsmussen zijn hierdoor tegenwoordig versnipperd. Verdwijnen nestgelegenheid en voedselbron dan verdwijnen ook de mussen. De plaatstrouw van de huismus belemmert een snelle kolonisatie van geschikte locaties. Uit het onderzoek van ‘mussendoctor’ Kees Heij bleek dat Rotterdamse huismussen zich nooit verder dan 600 meter van het nest verplaatsen. Ruim 60 procent van de populatie die hij bestudeerde, had een actieradius van hooguit 100 meter.

Het mussenparadijs langs de Kralingseweg staat te koop. Volgens de makelaar ‘dient het intern en extern volledig te worden gerenoveerd’. Ik hoop voor de huismussen dat het nog lang een bouwval blijft.

Kees Moeiliker schrijft tweewekelijks over dieren.