Mij inleven in andermans standpunt is wezenlijk

In de rubriek Thuis& elke week een interview over familie en gezin.

Vandaag: Yoeri Albrecht, directeur van debatcentrum De Balie.

Foto’s Roger Cremers

Hij werd als nakomertje geboren in een antroposofisch gezin in Amsterdam-Zuid. Van zijn ouders, ‘Bildungs-burgers’ die veel belang hechtten aan educatie, heeft Yoeri Albrecht (46) al jong geleerd om onafhankelijk te denken. Hij probeert dat door te geven aan zijn kinderen Anna (7), Nicolai (10) en Francesca (12). Hij is getrouwd met Enrica Flores d’Arcais.

Uit wat voor gezin komt u?

„Uit een leuk gezin, vind ik. Traditioneel, met een werkende vader en een moeder die thuis was. Ik ben van de vijf kinderen het nakomertje: mijn jongste zus is tien jaar ouder. Dat betekende veel aandacht van mijn ouders, want mijn broers en zussen studeerden al toen ik nog op de basisschool zat. Maar met Kerst en Oudjaar en met verjaardagen altijd een gezellig vol huis. The best of both worlds, eigenlijk.”

„In de winter ging ik met mijn vader naar het bos om takken te zagen voor de adventskrans, dat vond ik heerlijk. Als we thuiskwamen had mijn moeder lekker eten gemaakt. In gezonde maaltijden van onbespoten producten stak ze veel tijd. Mijn ouders waren geen hippies, verre van. Ik zie hen als ‘Bildungs-burgers’, mensen die groot belang hechtten aan opvoeding en educatie. Ze waren antroposofen, mijn opa en oma van vaderskant hadden Rudolf Steiner nog gekend. We woonden in Amsterdam-Zuid. Mijn moeder was – en is – een nette mevrouw, half-Italiaans, dochter van een ambassadeur. Ze is geboren in Tanganyika, Brits Oost-Afrika. Mijn vader noemde zich ‘Kaufmann’. Hij komt uit een familie van Duitstalige Russische kooplieden die handelden op de Oostzee en met de Kaukasus. In mijn ouderlijk huis staan spullen uit exotische oorden als Samarkand en Tblisi.”

Hoe zou u uw vader omschrijven?

„Als een intellectueel. Voor hij in zaken ging, was hij advocaat, maar liever stak hij zijn tijd in zijn vele maatschappelijke functies. Hij heeft voor de VVD in de Provinciale Staten gezeten, was voorzitter van de biologisch-dynamische landbouwvereniging en heeft zich in de jaren zestig en zeventig erg ingezet voor de restauratie van de Amsterdamse binnenstad. Er dreigde grootschalige sloop, samen met een aantal anderen heeft hij ervoor gezorgd dat dat niet is gebeurd.”

En uw moeder?

„Mijn moeder heeft een enorm lief karakter, veel liever dan dat van mijn vader – ook daarin hebben ze de rollen traditioneel verdeeld. Maar tegelijk is ze een taaie. Ze zit sinds vijf jaar in een rolstoel en ik heb haar nog niet één keer horen klagen. Ze is nuchter en niet bang. Tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft ze als jong meisje wapens vervoerd voor het verzet. Op de fiets met een zak aardappelen waar onderin een stengun zat, reed ze door de versperringen, met een iets te korte rok in de hoop dat de Duitse soldaten naar haar keken en niet naar de zak aardappelen. Zij en haar oudere broer hebben het overleefd, maar anderen uit hun groep zijn gefusilleerd.”

Viert u verjaardagen?

„Mijn moeder heeft nooit willen zeggen hoe oud ze precies is. Dat vraag je niet aan een vrouw, vindt ze. Toen wij, de kinderen, een paar jaar geleden een feest voor haar tachtigste verjaardag wilden organiseren, moesten we er dus een slag naar slaan. Ik belde haar broer en die barstte in lachen uit. ‘De tachtigste verjaardag van je moeder? Ik ben twee jaar ouder dan zij, maar ik ben géén 82 meer,’ zei hij.”

Wat wilde u als kind worden?

„Natuurbeschermer in Afrika of Azië. Ik wilde de olifanten en de leeuwen redden. Alle boeken van Jane Goodall, Hugo van Lawick en Bernhard Grzimek heb ik als puber gelezen. Na de middelbare school schreef ik me in voor biologie aan de universiteit van Leiden, maar na een week besefte ik dat al die bètavakken toch echt mijn interesse niet hadden. Toen ben ik geschiedenis en filosofie gaan doen.”

Wat zijn de lessen die u van thuis heeft meegekregen?

„Liefde voor de natuur, en voor cultuur. Daar heeft de Vrije School waar ik van mijn vierde tot mijn achttiende op zat, ook aan bijgedragen. Ik vond het er fantastisch, heb me er ontzettend thuis gevoeld. Als je in de adventstijd ’s ochtends de school binnenkwam, brandden er kaarsen en klonk muziek. Aan het begin van de zomer gingen we op een zandvlakte buiten de stad een Sint-Jansvuur maken en broodjes bakken. Man, man, man! En knollen uithollen met Sint Maarten. De hele klas rook dan naar knol en wortel. Een heerlijke school, waar je leerde genieten van het leven en je contact met de wereld werd verrijkt. Letterlijk, omdat je zoveel met je handen deed. Ik weet nog precies hoe het voelde en klonk, dat vetkrijt krassend over ruw papier.

„Ik heb enorm veel aan die antroposofische opvoeding gehad. Steiners idee dat jij als individu jezelf schept als mens in vrijheid, dat je je eigen biografie schrijft en daar bewust keuzes in moet maken, vind ik heel erg goed en helpt me bij mijn werk in De Balie. Voor antroposofen is het heel gewoon om naar de wereld te kijken via de kunst, en dat is iets wat ik bij de programmering hier dagelijks toepas. We brengen een theaterstuk als een commentaar op de samenleving, we laten een politicus praten met een romancier, we geven beeldend kunstenaars opdrachten om dingen te maken die licht werpen op onze democratie of onze gezondheidszorg.”

Wat wilt u uw kinderen meegeven?

„Ik probeer ze te leren, net als mijn ouders dat bij mij deden, om onafhankelijk te denken en eigen afwegingen te maken. Als een van mijn kinderen thuiskomt uit school en zegt ‘Assad is stom’, leg ik uit dat er ook een andere kant aan zit, dat er in Syrië mensen zijn die hem verdedigen en dat er daarom oorlog is. In De Balie doe ik erg mijn best om dat idee vorm te geven: Martin Bosma is even welkom als Jan Marijnissen. Dat is iets wezenlijks voor mij: je móét je inleven in andermans standpunt, anders kom je nergens in de samenleving.

„Ik had mijn kinderen dolgraag naar de Vrije School gestuurd, maar we woonden te ver weg. We hebben geprobeerd om zelf een Vrije School op te richten in Amsterdam-Centrum, maar dat zag de gemeente helemaal niet zitten.”

Kinderen confronteren je vaak met je onhebbelijke eigenschappen. Hoe zit dat bij u?

„Ze worden terecht kwaad als mijn telefoon telkens gaat, want ik ben al vaak genoeg niet thuis. Als ik thuis ben ’s avonds, lees ik hen voor, ik neem hen mee naar de dierentuin, we gaan samen vogels kijken, ik stop veel in mijn kinderen. Maar toch, ik zou meer tijd aan hen willen besteden. Het liefst ben ik de hele dag met ze, maar dat kan niet. En ik zou het werk ook wel gaan missen. We hebben met het gezin anderhalf jaar in Padua gewoond, toen werkte ik als freelancer en maakte ik minder uren dan nu. Ik had veel tijd voor de kinderen als ze uit school kwamen. Maar na anderhalf jaar begon het toch weer te knagen, alsof ik al half met pensioen was. Die verscheurdheid zal altijd blijven.”