Column

Druk Parijs

Ons hotel stond in een smalle zijstraat van de Rue de Rivoli, bij het Louvre. De hotelbediende die onze koffers in de kamer neerzette, vroeg of alles in orde was. Daar leek het wel op, maar hoe was het gesteld met het lawaai van buiten? Hij deed het raam open en vanaf de Rue de Rivoli stak onmiddellijk een orkaan van verkeersgeraas op, alsof alle auto’s en motoren van Parijs de hele dag naar dit moment hadden toegeleefd. Hij keek ons verontschuldigend aan, terwijl hij zachtjes zei: „’s Nachts is het rustig.”

We deden of we hem geloofden, maar sprak hij de waarheid? Nee en ja.

Het wordt nooit rustig op de Rue de Rivoli, het is er dag en nacht een onophoudelijk komen en gaan van alles wat van een motor is voorzien, misschien zelfs naaimachines en koelkasten. Regelmatig luwt de herrie even, maar dat is dan te danken aan een stoplicht dat op rood springt. Even later barst het lawaai weer los – de oerschreeuw van de techniek.

Toch hadden we er geen last van, als we de dubbele ramen maar gesloten hielden. Misschien had de bediende dat ook wel bedoeld.

Parijs is nog steeds een geweldige stad, dat weten we allemaal, maar de afgelopen dagen heb ik me wel geregeld afgevraagd of ze er de auto niet aan banden moeten leggen. Het verkeer beweegt zich als een stinkend monster door de stad, dof grommend als het niet vooruit kan, loeiend als het op drift mag. Ze zijn van plan al te oude auto’s te verbieden en maximumsnelheden te verlagen, maar kunnen ze niet beter de auto uit hele stadsdelen verbannen, zoals burgemeester Bloomberg van New York op Times Square gedaan heeft?

De auto knaagt aan Parijs, al die prachtige gebouwen en monumenten zuchten eronder, ze staan er vaak bij als afgeleefde oude mannen, geel en zwart van vermoeidheid. Parijs doet zijn best, er wordt veel opgeknapt, maar valt er nog wel op te restaureren tegen zoveel giftige uitstoot?

Ik sta voor de befaamde Madeleine, een kerk als een Grieks-Romeinse tempel, opgericht door een zegevierende Napoleon. De twintig meter hoge Korintische zuilen die het gebouw omringen, zijn op de eerste rij nog tamelijk wit, maar daarachter begint een rij zwartgeblakerde zuilen, verrotte kiezen in de mond van de geschiedenis.

Misschien moet Parijs meer gaan fietsen.

Ze doen het al een beetje op hun manier, met de zogeheten Vélib-fiets, een uniseksfiets die in rekken langs de weg staat opgesteld en voor een redelijk bedrag te huur is. Toch is de fietser in Parijs nog een vrij zeldzaam verschijnsel, zeker in vergelijking met Nederland. Maar misschien, heel misschien, komt daar verandering in. Dankzij…Nederland.

Ik liep met mijn vrouw over de Avenue de Villiers in het 17de arrondissement. Opeens zagen we een winkel met het opschrift ‘Les vrai vélos hollandais’. De eigenaar hoorde ons praten en kwam enthousiast op ons af. Het bleek een fietsenmaker uit Harlingen die met zijn Franse vrouw anderhalf jaar geleden twee fietswinkels in Parijs begonnen was. Hoe het ging? Redelijk, maar het moest beter worden, want in Parijs waren de winkelhuren erg hoog. De Fransen hadden nog onvoldoende in de gaten dat ze op een stoer Hollands rijwiel beter vooruitkwamen dan op zo’n Frans rotfietsje.

Zelf fietste de fietsenmaker elke dag in het razende verkeer naar zijn werk, maar zijn vrouw durfde niet zo goed, ze vond het onveilig. Nee, hij zou niet altijd in Parijs blijven. Mooi, maar te vol en te druk.