Dagboek uit Los Angeles: shop talk van een ombudsman

De geest van Rolf Dobelli hing even in de zaal op de vijfde verdieping van The Los Angeles Times, waar gisteren het jaarlijkse congres begon van de vereniging van nieuwsombudsmannen ONO.

Dobelli publiceerde in 2011 een geruchtmakend essay (Nieuws is slecht voor u), waarin hij de media ervan beschuldigt mensen bang te maken en af te stompen met dagelijks slecht nieuws waar zij toch niets aan kunnen doen. Daar word je maar pessimistisch, fatalistisch en sarcastisch van, aldus de schrijver. Nrc. next drukte het hele essay van bijna 6.000 woorden af. Hoofdredacteur Rob Wijnberg legde uit waarom.

Stephen Pritchard, de ervaren ombudsman van The Observer die de conferentie aftrapte, had pas een artikel over de ideeën van Dobelli gelezen en was er danig van geschrokken, zei hij. Ja, gelukkig is er ook kritiek op de radicale - en soms ook nogal modieuze - opvattingen van Dobelli, zoals in dit stuk in The Guardian. Maar toch, zei Pritchard: zit er niet ook veel in zijn kritiek op de media en zoja, hoe moeten ombudsmannen daar dan mee omspringen?

Daarmee was het congres meteen op vertrouwd terrein: kopzorgen over de rol van de ombudsman.

Sombere en zonniger diagnoses volgden elkaar op, maar de algemene slotsom leek toch deze: ombudsmannen en -vrouwen moeten hun organisaties helpen om journalistiek niet alleen accuraat en fair te houden, maar ook relevant voor lezers en kijkers. Dat betekent: niet alleen maar nieuws brengen omdat het nu eenmaal nieuws is, maar consequent laten zien wat het eigenlijk uitmaakt, en waarom. En: lezers daarbij betrekken.

Ook een herhaalde wens: journalisten moeten begrijpelijker schrijven, en niet in een compact jargon dat alleen voor henzelf vanzelf spreekt. Kathy Rothmeyer, van de Keniaanse Star, verwees naar een onderzoek waaruit bleek dat de meeste lezers niets begrepen van de meeste, door collega’s veelgeprezen investigative reporting van een andere Afrikaanse krant, simpelweg omdat het teveel in journalistieke geheimtaal was opgeschreven. Er werd niet helder genoeg uitgelegd waaróm iets onthullend, veelbetekenend, belangrijk of schandalig was.

Nog een andere evergreen over de omgang met lezers: wat moet een krant of omroep doen met verzoeken van lezers om hun commentaar, naam of foto van de website of uit het digitale archief te verwijderen? Vaak gaat het dan om lezers, of bezoekers, die een belastend feit of een onbesuisde mening weg willen hebben - bijvoorbeeld omdat ze aan het solliciteren zijn, of zijn hertrouwd.

In zulke gevallen is het antwoord voor de meeste nieuwsorganisaties simpel: nee, daar kan de krant, of omroep, niet aan beginnen. Het zou leiden tot censuur achteraf, vervuiling van het archief en geschiedvervalsing. Wie zich anno 2013 mengt in een discussie op de site van een krant, heeft er inmiddels rekening mee te houden dat zijn reactie tot in lengte der dagen bewaard blijft. Internet is geen nieuwigheidje meer.

Dat is ook het uitgangspunt in het Stijlboek van NRC Handelsblad. Letterlijk staat daarin:

Spijt van een bron of auteur van een ingezonden stuk is al nooit reden een artikel in het archief te herzien, laat staan dat te verwijderen. Alleen in zeer uitzonderlijke situaties (bijvoorbeeld op last van de rechter) kan van deze regel worden afgeweken, en uitsluitend na overleg met de hoofdredactie.

Bij die zeer uitzonderlijke gevallen is dan te denken aan ernstige bedreiging, of aan levensgevaarlijke situaties - in elk geval niet aan sollicitaties of spijt achteraf over een onbesuisde opmerking.

Over dat laatste is iedereen het nog altijd eens. Maar waar ligt de grens? Is de kans op ernstige schade het enige criterium? Zo zwart-wit is het vaak niet. Tom Kent van Associated Press gaf twee voorbeelden die hij zelf tamelijk grijs vond: een moeder en dochter die vragen om hun foto bij een stuk te laten verwijderen, omdat pornosites naar de foto zijn gaan linken en er, zogezegd, hun ding mee doen. Of, ook eigentijds: een Amerikaans-Arabische vrouw die haar foto, zonder hoofddoek en in westerse kleding, weg wil hebben omdat ze remigreert naar Saoedi-Arabië, en bang is last te krijgen met haar conservatieve familie en kennissenkring daar.

Geen ijzersterke voorbeelden, vonden de meeste aanwezigen. Zoals Jeffrey Dvorkin, scheidend directeur van ONO, nuchter opmerkte:

Waarom zouden wij eraan moeten meewerken het levensverhaal van die vrouw te herschrijven omdat zij dat zo nodig wil?

Dan maar de harde lijn blijven volgen? Dat ook weer niet, want een aantal ombudsmannen zei er geen moeite mee te hebben in bepaalde gevallen die niet direct heel ernstig zijn, toch aan zo’n verzoek te willen voldoen. Ja, zolang het maar geen afbreuk doet aan de inhoud van het verhaal. Kirk LaPointe, oud-ombudsman van Radio Canada en nu verbonden aan de universiteit van Vancouver, pleitte het meest uitgesproken voor een ‘compassionate review‘, een behandeling van zulke verzoeken met enig mededogen. Hij zei:

Mensen realiseerden zich zeker de eerste jaren niet dat ze voor altijd zouden worden geconfronteerd met wat ze op een site hebben achtergelaten. En trouwens: de media ook niet. Die hebben internet in het begin gezien als één groot experiment, zonder stil te staan bij de consequenties.

En David Jordan, ethics director van de BBC, wees nog eens op de revolutionaire gevolgen van het digitaliseren van papieren archieven, die in een oogwenk doorzoekbaar zijn:

Alles bleef vroeger natuurlijk ook voor eeuwig bewaard. Maar al die oude jaargangen uitpluizen om een kleine zonde van iemand te traceren, is onbegonnen werk. Niemand heeft ook ooit gevraagd om bepaalde stukjes over zichzelf uit het papieren archief te laten knippen. Dat is veranderd met digitale archieven en zoekmachines, die je binnen een seconde leveren wat je zoekt.

Slotsom: dit onderwerp zal blijven terugkeren. De algemene lijn moet blijven ‘niet schrappen in het archief’, maar er gaan stemmen op voor een ‘empathischer’ aanpak.