China en India willen af van vetes

De Chinese premier Li Keqiang kwam met een vredesboodschap naar India. Economische groei is belangrijker dan grensconflicten.

Van bitterheid over een grensconflict, dat enkele weken geleden even oplaaide, was tijdens het bezoek van de Chinese premier Li Keqiang aan India de afgelopen daniets te merken.

Na „openhartige” gesprekken met zijn Indiase collega Manmohan Singh zei Li dat hij ervan overtuigd is dat beide landen de „wil, de wijsheid en het vermogen” hebben „de motor van de wereldeconomie” te worden. De premiers tekenden acht verdragen op het gebied van handel en waterbeheer om de ambities kracht bij te zetten.

India was het eerste land dat de onlangs van vicepremier tot premier gepromoveerde Li Keqiang aandeed. Daarmee onderstreepte hij het belang dat China toekent aan zijn opkomende buurstaat. Dat belang is vooral economisch, en voor de economie kwam Li.

Zijn bezoek werd echter overschaduwd door een grensincident dat tot twee weken geleden voortduurde. Wekenlang bivakkeerde een Chinese patrouille op een strategisch plateau in de Himalaya-regio Ladakh. Volgens de Indiërs was dat aan de Indiase kant van de Line of Actual Control (LAC) die werd ingesteld na een felle grensoorlog in 1962. De Chinezen ontkenden dat ze India waren binnengedrongen. Zij hanteren hun eigen interpretatie van de LAC.

Volgens de Indiase premier is afgesproken dat vertegenwoordigers van beide partijen binnenkort bijeenkomen voor een „wederzijds geaccepteerde bepaling van de grens”, iets wat de laatste jaren enkele malen mislukt is. Li erkende dat er „moeilijkheden” waren, maar noemde de grensgeschillen „overblijfselen van de geschiedenis.”

Hoe luchtig hij er ook over deed, net als bij de territoriale aanspraken in de Zuid-Chinese Zee kent het Chinese beleid in deze kwestie weinig nuances. China is nooit akkoord gegaan met de grens die de Britse kolonisatoren in de Himalaya trokken en meent dat onder meer de Indiase deelstaat Aranuchal Pradesh (ruim tweemaal Nederland, met 1,4 miljoen inwoners) Chinees grondgebied is. De claims worden zo nu en dan militair kracht bij gezet. In 1962 overrompelde het Chinese Volksleger vier Indiase divisies, doodde bijna 5.000 militairen, en trok het noordoosten van India binnen. Ook in 1967 vonden schermutselingen plaats, met 80 doden aan Chinese kant. In 1987 dreigde opnieuw oorlog nadat Chinese troepen volgens New Delhi hun kamp opsloegen op Indiaas grondgebied, een situatie die leek op de krachtmeting van vorige maand.

Dit keer echter bleef het incident beperkt. India besloot niet militair op te treden en China trok zijn troepen terug. Met enige trots meldde Manmohan Singh dat „we onze lessen geleerd hebben.” Het Indiase wantrouwen is echter onverminderd groot. Vorig jaar testte India een ballistische raket die Chinees grondgebied kan bestrijken en kan worden uitgerust met een kernkop.

Volgens waarnemers is nu misschien toch een structurele oplossing mogelijk. Het besef daagt dat het moeilijk wordt tot een hechte economische samenwerking te komen als China en India hun territoriale geschillen niet oplossen.

Die samenwerking is gewenster dan ooit. India worstelt met een negatieve handelsbalans en wil meer producten afzetten in China. China ziet in India zowel een nieuwe afzetmarkt als een reservoir van goedkope arbeidskracht. China vergrijst en wordt snel duurder, terwijl India’s beroepsbevolking nog altijd groeit. Volgens analisten zouden de komende jaren 85 miljoen productiebanen uit China kunnen migreren.

Maar het is de vraag of India daarvan kan profiteren. De Indiase industriële sector is er slecht aan toe, meldde The Economist onlangs door stugge regelgeving en het gebrek aan „een middenlaag” in de industrie van middelgrote bedrijven, die drijven op goed opgeleide en goedkope arbeidskrachten. Het was die middenlaag die China welvaart bracht. Producenten die China te duur vinden, wijken nu vooral uit naar Vietnam, Indonesië en Bangladesh.