Brieven

Geblinddoekte moordenaars op de weg

Een 52-jarige Utrechter reed deze week met 147 kilometer per uur door de bebouwde kom van Loosdrecht. Over de Veendijk. Daar geldt een maximumsnelheid van 50 kilometer. Uniek. Wie de Loosdrechtse Veendijk op Street View bekijkt, ziet een smalle rechte weg met motoren. De huizen staan dicht op de weg. Een poes, hond, kip of kind, blindelings de weg op rennend, hoort misschien een auto die 150 rijdt.

Maar een slechthorende bejaarde Prikkebeen die een vlinder achterna snelt…? En wat gebeurt er als je onkruid wiedt en de 52-jarige puber krijgt een lekke band of een ander defect? Of schrikt van een poes, hond, kip of kind?

In de diepe provincie en de rafelranden van de grote steden zie je wel eens illegale wegraces van auto’s of motoren. Natuurlijk moeten organisatoren en deelnemers van dit soort illegale races worden vervolgd en bestraft. Maar zij blijken minder gevaarlijk dan de lonely wolf op de Loosdrechtse Veendijk. Of de 20-jarige Pieter K. die medio 2011 een geleende Nissan GT-R richting de 162 kilometer stuurde – vijftien kilometer sneller dan de Utrechter, maar dan wel in hartje Heemstede – en vervolgens op de N205 een score van 308 kilometer op zijn eigen YouTube-filmpje vastlegde. Te onduidelijk bewijsmateriaal, vond het OM.

De overheid weet zich helaas geen duidelijke houding te geven inzake dit soort wegpiraterij. In mijn wereldbeeld is het leven van een egel, poes, hond, kip, konijn, otter, zwijn of hert, laat staan dat van een kind, een stuk meer waard dan dat van dit type zelfgekozen moordenaar. Zo’n radicale analyse verwacht ik niet van de overheid, maar wel dat zij deze lonely wolves vergelijkt met geblinddoekte mannen die willekeurig om zich heen schieten.

August Hans den Boef

Auteur en literatuurwetenschapper

Laat die tunnel toch – en pak het gevaar erdoor aan

Keer op keer constateer ik dat weer nieuwe argumenten voor de noodzaak om de onderdoorgang van het Rijksmuseum voor fietsers af te sluiten worden bedacht.

De ene keer wordt het verkeersgevaar voor de bezoekers van het museum benadrukt en dan weer het gering tijdverlies dat fietsers ondervinden, wanneer zij om het rijksmuseum heen fietsen (NRC Handelsblad, 14 mei).

Laat aan de jarenlange onvruchtbare discussie, of de onderdoorgang van het Rijksmuseum nu wel of niet voor fietsers open moet of kan blijven, een einde komen.

Mijn opvatting is als geboren en getogen Amsterdammer – en vele Amsterdammers delen die opvatting met mij – dat er niet gesleuteld moet worden aan een historische situatie, die nu eenmaal vanaf het begin al bestond.

Laat men eerder zijn energie besteden aan zinvolle oplossingen die het gevaar voor fietsers en voetgangers wegnemen.

H.W. Bakhuys Roozeboom

Amsterdam