Vogels tellen als liefdewerk

Als het aantal vogels van een soort heel klein wordt, kunnen vrijwilligers voor heel precieze cijfers zorgen.

Het moet wel leuk blijven. Dat is de belangrijkste voorwaarde van vogelaars om mee te werken aan wetenschappelijk onderzoek. En vogels tellen in de Flevopolder bijvoorbeeld, is niet altijd even spannend. Homogeen landschap, weinig verschillende soorten; beetje saai. Dus ontbreekt het regelmatig aan goede tellingen uit Flevoland. Hetzelfde geldt voor gegevens van dagen met guur weer, vorst en sneeuw. Dan blijven tellers liever binnen.

Toch zou de organisatie die de trends in de Nederlandse vogelstand onderzoekt, Sovon Vogelonderzoek Nederland, kunnen inpakken als er geen vrijwilligers waren. Ruim 8.000 tellers leveren op gezette tijden vogellijsten aan. Die gegevens vormen de basis voor rapporten voor onder meer Rijkswaterstaat, het ministerie van Economische Zaken en de tien tot vijftien wetenschappelijke publicaties die Sovon jaarlijks schrijft.

Dat is iets anders dan de bekende jaarlijkse tuinvogeltelling of een platform als waarneming.nl waaraan iedereen kan meedoen. Sovon steunt die tuinvogeltelling wel voor pr-doeleinden, maar voor betrouwbare gegevens leunt het op een netwerk van getrainde vrijwilligers die werken volgens een gestandaardiseerde methode. Ze tellen in vaste gebieden, op vaste teldata en -uren en noteren de gegevens op standaardformulieren.

“Het draait om de macht van het getal”, zegt Chris van Turnhout, senior onderzoeker bij Sovon, gevestigd op de campus van Radboud Universiteit in Nijmegen. Hij promoveerde in 2011 op een onderzoek naar de toegevoegde waarde van vrijwilligers in vogelonderzoek. “Op lokaal niveau missen we soms gegevens, maar we hebben zo ontzettend veel dat we via modellen missing values kunnen schatten en afwijkingen kunnen corrigeren.”

Waar een professionele ornitholoog alle nesten van een broedvogelsoort zou inventariseren, tellen of schatten de amateurs van een afstand, op zicht en gehoor. Dat is minder nauwkeurig, maar maakt het volgens Van Turnhout mogelijk om het onderzoek jarenlang te doen en voor een groter gebied. Het Centraal Bureau voor de Statistiek levert de statistische analyses van de tellingen.

Sovon doet voornamelijk uitspraken over trends en minder over absolute aantallen. Van Turnhout: “Mensen willen vaak weten hoeveel koolmezen er zijn in Nederland. Dat is een ongelooflijk moeilijk te beantwoorden vraag, want je weet niet hoeveel je er mist als je op verschillende plekken telt. Maar omdat we al decennia lang koolmezen tellen via een gestandaardiseerde methode, weten we heel goed wat de trend is.”

Toen Sovon veertig jaar geleden werd opgericht naar voorbeeld van de British Trust for Ornithology was er weinig bekend over de vogelstand in Nederland. Universitair onderzoek richtte zich op individuele soorten, niet op de breedte en de lange termijn. Daarvoor heb je trouwe vogelaars nodig die jarenlang hetzelfde gebiedje goed in de gaten houden.

Sovon kon vanaf de oprichting rekenen op veel scepsis onder professionele vogelonderzoekers, maar sinds enkele jaren verandert die houding. Ook andere takken van wetenschap omarmen nu de amateur. Sterrenkundigen en historici maken gebruik van vrijwilligers die digitale documenten en foto’s thuis op hun computer uipluizen. En universiteiten beginnen de waarde van de lange-termijngegevens van Sovon in te zien, merkt Van Turnhout.

Met de gegevens van vrijwilligers kunnen hypothesen van wetenschappelijk onderzoek worden gecheckt en aangescherpt. Zo concludeerden klimaatonderzoekers tien jaar geleden dat de bonte vliegenvanger tijdens de winter in Afrika niet goed kon anticiperen op de veranderde timing in voedselvoorraden in Nederland. Ze keerden in het voorjaar te laat terug, als de voedselpiek alweer voorbij was. Uit het trendonderzoek van Sovon bleek in 2010 dat dat ook voor andere trekvogels gold, maar alleen voor die soorten die afhankelijk zijn van korte voedselpieken in het bos. Moerassoorten hadden nergens last van.

Sovon gebruikt de wisdom of crowds al veertig jaar. Maar niet elke enthousiasteling kan zo maar beginnen met tellen. Het land is ingedeeld in regio’s die door ‘supervrijwilligers’ worden gecoördineerd. Die laten nieuwelingen eerst meelopen met een ervaren vogelaar die hen wegwijs maakt in de gestandaardiseerde telmethodes. Meestal begint zo iemand in de stad, waar vertrouwde soorten zitten in kleinen getale.

Want niet elk vogeltje laat zich even makkelijk tellen. Neem nou de kanoetstrandloper. Die zit met tienduizend soortgenoten op een zandplaat, van een afstand ziet dat er uit als een plak vogeltjes waarin het individu nauwelijks te onderscheiden is. Als ze opvliegen is het als een televisie die op sneeuwbeeld gaat. Zelfs professionele tellers, zegt Van Turnhout, blijken bij zulke groepen meer dan 30 procent van de werkelijkheid af te wijken als je later op basis van foto’s de aantallen vaststelt. Pas als het aantal vogels van een soort heel klein wordt, kunnen vrijwilligers de absolute aantallen leveren.