Veiligheid vermiste jongens al vier jaar in het geding

Twee broertjes uit Zeist worden nu bijna twee weken vermist. Sinds de scheiding van hun ouders in 2008 hebben meer dan tien hulpverleners en instanties zich met hen beziggehouden. Een reconstructie.

Een boswachter graaft in de grond bij camping het Doornse Gat, een week geleden tijdens de zoektocht naar Ruben en Julian. Foto ANP

April 2013. De Raad voor de Kinderbescherming, die in januari op verzoek van Bureau Jeugdzorg een onderzoek instelde naar de broertjes Ruben (9) en Julian (7) uit Zeist, velt een snoeihard oordeel over de hulp die zij tot dan toe hebben gekregen. Sinds de scheiding van hun ouders hebben meer dan tien instanties en behandelaars zich over het welzijn van de broers gebogen, blijkt uit het rapport.

Ze onderzochten, analyseerden, rapporteerden, adviseerden en behandelden. Het heeft volgens de Raad niet of nauwelijks geholpen. De Raad adviseert „dringend” om „alle betrokken (semi)professionals voor een groot zorgoverleg uit te nodigen om de hulpverlening af te stemmen”. Tot nu toe is dat niet gelukt „waardoor het effect van de hulp zeer klein is”.

De Raad maakt zich „grote zorgen” over de jongetjes, die sinds 7 mei vermist worden nadat hun vader zelfmoord heeft gepleegd. Ze waren de laatste dag bij hem. De zorgen gaan niet over de veiligheid van de jongens bij hun vader, maar over hun „sociaal-emotionele ontwikkeling en gedrag”. Hoewel uit tests blijkt dat ze bovengemiddeld intelligent zijn, presteren ze op school onder hun niveau, lijken ze veel aan hun hoofd te hebben en lijden ze onder een loyaliteitsconflict „als gevolg van de spanningen tussen ouders”. Die zijn sinds 2009 uit elkaar en delen de zorg 50/50 in een co-ouderschap, maar hebben nog altijd voortdurend ruzie. Boedelscheiding, alimentatie en zorgafspraken hebben al tot rechtszaken geleid.

Al in 2009 stelde het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling vast dat de onenigheden leidden tot „psychisch geweld” tegen de kinderen. In april 2013 is dit niet veranderd. De jongens worden volgens de Raad zo „ernstig in hun ontwikkeling bedreigd” dat de kinderrechter wordt verzocht hen voor een jaar onder toezicht stellen. Een andere oplossing is er volgens de Raad niet „omdat het ouders niet lukt om samen te werken en hun strijd te beëindigen”. Beide ouders houden wel het gezag over de broers, maar de Raad adviseert ook een andere omgangsregeling: in plaats van de helft van de tijd zouden de kinderen nog maar een weekend per twee weken bij hun vader moeten zijn.

Hoe kon het weer zo misgaan met kinderen onder de hoede van jeugdzorg? Wat is er tussen 2009 en 2013 door instanties gedaan om de situatie van de broertjes te verbeteren en hoe wogen zij de veiligheid in het gezin? Is er een goede risicoanalyse geweest? Een reconstructie op basis van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, die sprak met de ouders, grootouders van beide kanten, hun leerkrachten en speltherapeute, de psycholoog van de moeder, Bureau Jeugdzorg Utrecht, de nieuwe partner van de vader, de huisarts, het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling, de politie en jeugdzorgorganisatie Timon.

De ouders van de jongens, beiden hoger opgeleid, gaan in 2008 na een relatie van dertien jaar uit elkaar. Vanaf 2009 zoekt vooral de moeder hulp voor de kinderen, die onder meer last hebben van concentratieproblemen op school en driftbuien. Het leidt tot speltherapie voor de kinderen en ‘ouderschapsbegeleiding’ voor beide ouders, wat enige verbetering lijkt te brengen. Maar na de afsluiting hiervan, eind 2011, houdt de moeder zorgen. Uit het rapport van de Kinderbescherming blijkt „dat zij vanaf februari 2012 op zoek was naar hulp, maar het gevoel had van het kastje naar de muur te worden verwezen”.

De veiligheid van de kinderen bij hun vader was, zo blijkt uit de rapportages, vier jaar lang een grote zorg van de moeder. Uit een document van het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) blijkt dat zij in februari 2009 naar de politie ging wegens mishandeling van de oudste zoon door de vader. De politie schakelde het AMK in, een onderdeel van Bureau Jeugdzorg. Het AMK rapporteert dat de moeder in eerste instantie niet wil dat contact wordt opgenomen met de vader, omdat hij weleens zou hebben gedreigd met „familiedrama’s in de media”.

Het AMK doet navraag bij onder meer school en huisarts en concludeert dat „het vermoeden van lichamelijke mishandeling niet kan worden bevestigd”; „wel zijn de kinderen, mogelijk eenmalig, getuige geweest van huiselijk geweld”. De huisarts noemt de vader in de rapportage een „bezorgde en liefdevolle vader” en een „temperamentvolle man”. Zij heeft bij de kinderen nooit sporen van mishandeling gezien. De moeder is daarvoor wel enkele keren bij haar geweest. Ook zijn er een keer door de politie foto’s gemaakt van blauwe plekken op haar armen.

De angst van de moeder houdt aan, blijkt uit rapportages van dit jaar. „De kinderen vertellen bij moeder thuis verhalen dat vader hun fysiek en emotioneel mishandelt”, schrijft Bureau Jeugdzorg aan de Raad voor de Kinderbescherming. En: „Moeder geeft een paar keer in een mail aan bang te zijn voor vader. Zij is bang voor geweld, maar vooral bang voor emotionele bedreigingen naar haar en de kinderen.” De instanties delen die zorgen niet of nauwelijks. De consensus is dat de kinderen vooral lijden onder de scheidingsstrijd. Vrijwel alle hulp is erop gericht de harmonie tussen de ouders te vergroten.

Maar na een nieuwe melding in september 2012 aan het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling vraagt Bureau Jeugdzorg toch een onderzoek aan bij de Raad voor de Kinderbescherming, sinds 2006 verantwoordelijk voor het beoordelen van de veiligheid van kinderen. Intussen laat Bureau Jeugdzorg de instantie Timon Ambulante Spoedhulp een ‘veiligheidsplan’ voor het gezin opstellen in het kader van „het traject Signs of Safety”. Doel van dit traject is „een samenwerkingsrelatie op te bouwen met gezinnen waar (mogelijk) sprake is van kindermishandeling”, blijkt uit een document van het Nederlands Jeugdinstituut (NJI).

Als dit al loopt, doet de moeder in januari 2013 aangifte van kindermishandeling. De oudste zoon heeft haar verteld dat hij door zijn vader is geslagen, door elkaar geschud en met zijn kleren aan onder de koude douche gezet. Het incident komt aan de orde in het veiligheidsplan. De vader vertelt de casemanager van Bureau Jeugdzorg dat hij zijn zoon, die een driftbui had, „stevig heeft vastgepakt en hem heeft gedwongen een (warme) douche te nemen om rustig te worden”.

De casemanager van Jeugdzorg is „bezorgd over vaders aanpak van Ruben, wanneer deze een boze bui heeft”. Eén van de ‘doelen’ van het veiligheidsplan is dat de kinderen „zich veilig moeten gaan voelen bij vader”. Concreet wordt afgesproken: „Vader pakt Ruben niet meer vast als Ruben boos is.” Mocht de vader er echt niet meer uitkomen, dan moet hij volgens het plan familie of vrienden bellen die hem kunnen helpen.

Uit het eindrapport van Timon blijkt dat beide ouders kanttekeningen maken: „Vader heeft moeite met de manier waarop er over het incident, de verhalen en zijn aanpak gesproken wordt. Hij vindt dat het incident wordt opgeblazen en dat het uit zijn verband is getrokken. […] Moeder heeft het gevoel dat de zorgen die zij heeft over vader niet voldoende serieus worden genomen. Voor haar gevoel wordt de ernst juist gebagatelliseerd.

De hulpverleners schatten de veiligheid in het gezin inmiddels verschillend in. In het ‘verzoek tot onderzoek’ van Bureau Jeugdzorg aan de Raad voor de Kinderbescherming wordt de vraag gesteld of de melding spoedeisend is. „Nee”, luidt het antwoord. Maar als de Kinderbescherming Timon Ambulante Spoedhulp consulteert, krijgt het een rapport toegezonden waarin staat dat er „sprake is van een acute bedreiging van de veiligheid van een of meer gezinsleden”.

De politie neemt de aangifte van de moeder serieus. De Kinderbescherming krijgt in april van de politie te horen dat zij „binnen twee weken vader zullen gaan oproepen om te worden gehoord als verdachte”. En: „Zoals de zaak nu ligt, zal het dossier uiteindelijk worden ingestuurd aan justitie.”

Zo staat het in het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, die besluit de kinderen onder toezicht te plaatsen om een „stabiele, voorspelbare en rustige opvoedsituatie” te creëren. Het rapport wordt beide ouders toegestuurd op 22 april. Er wordt een afspraak gepland op 25 april om het te bespreken. De vader laat weten dan niet te kunnen. Op de dag van de nieuwe afspraak, op 7 mei, wordt zijn lichaam gevonden in een recreatiegebied in Doorn.

Bureau Jeugdzorg is naar aanleiding van de vermissing een intern onderzoek gestart naar het functioneren en samenwerken van alle hulpverleningsinstanties rond het gezin. De instantie wil verder niet ingaan op vragen over de zaak.