Stoere vrouwen met een pioniersgeest

Nederland telt sinds kort mee in de rugbywereld, dankzij de vrouwen. In het olympische ‘sevens’ proberen zij aan te haken bij de absolute wereldtop.

AMSTERDAM - Het Olympisch Nederlands vrouwen rugbyteam traint in Amsterdam. Ilvy Njiokiktjien

Voetgangers opgepast: vrouwenrugby. Zo begon het negen jaar geleden, toen een enthousiast groepje rugbyvrouwen een paar honderd euro bij elkaar harkte om in Denemarken een ‘sevens’-toernooi te kunnen spelen. Met lichte zelfspot noemden ze zich ‘WOP’: Watch Out Pedestrians. Busjes regelen, gratis kamperen op het veld, doosje rosé bij de hand.

Datzelfde team heet tegenwoordig ‘Nederland’: de eerste professionele vrouwenploeg ter wereld traint vijf dagen per week, heeft een budget van ruim acht ton per jaar en is als nummer zes van de wereld hard op weg naar de Spelen van Rio (2016). „Dat ik dit professioneel kan doen had ik nooit durven dromen toen we voor het eerst op pad gingen’’, zegt aanvoerster Linda Franssen onder een boterham op het Nationaal Rugbycentrum in Amsterdam.

Het WOP-team ging regelmatig trainen, struinde de toernooien af – tot in Hongkong. Gewoon, omdat ze gek waren van sevens, de nieuwe, snelle variant van het rugby: zeven tegen zeven, met potjes van tweemaal zeven minuten. „Maar we bleken zo goed dat we met de beste teams mee konden”, zegt Franssen, één van de vrouwen van het eerste uur. „Toen hebben we de Nederlandse rugbybond gevraagd of we als nationale ploeg verder mochten.”

De timing bleek perfect, want kort daarna kreeg hun sport de olympische status, met Rio als startplaats. Franssen, van huis uit dierenarts, aarzelde niet. „Geweldig dat ik dit mag meemaken: een nieuwe sport, Olympische Spelen. Ik ben me heel bewust hoe bijzonder dit is.”

Na jaren van anonieme rugbypotjes op winderige achterafveldjes vond Franssen zichzelf vorig jaar ineens als fullprof terug op Twickenham, het internationale rugbymekka bij Londen. „Wonnen we van Australië voor bijna 80.000 toeschouwers”, grijnst ze.

Nederland, toch niet bekend geworden om zijn diepgewortelde rugbycultuur, speelde razendsnel in op het pionierswerk van Franssen en haar clubje. Onder leiding van oud-international Yves Kummer stampte de bond een volledig olympisch programma uit de grond. „Twee jaar geleden hadden we nul mensen op het bondsbureau en nul euro”, zegt Kummer. „Nu hebben we acht professionals en een miljoen euro.”

Zelfs in het beste rugbyland ter wereld, Nieuw Zeeland, heeft de nationale vrouwenploeg nog geen professionele status. „We proeven bij hen wel eens wat afgunst”, zegt Franssen. „Het is toch hún sport.”

Met tienduizend rugbyers (onder wie duizend vrouwen) is Nederland geen noemenswaardig rugbyland, maar dat kan een „gigantisch voordeel” zijn, denkt Kummer. „Wij hebben niet al die statistische data en kennis die ze in Nieuw Zeeland, Zuid-Afrika of Engeland hebben. Maar sevens is een nieuwe sport. Geen enkel land weet hoe je dit moet aanpakken. Bovendien vinden ze in die landen het normale rugby van vijftien tegen vijftien veel stoerder. Sevens vinden ze een wijvensport, dat doen ze erbij. Wij kiezen volledig voor sevens.”

De rugbybond begon het olympische avontuur dus met een nagenoeg leeg A4-tje. Kummer liet zich wel uitvoerig voorlichten door mensen met olympische ervaring, zoals Charles van Commenée, voormalig technisch directeur bij NOC*NSF, volleybalcoach Gido Vermeulen, waterpolomanager Arno Havenga en schaatscoach Jac Orie.

De analyse is dat sevens zich zal ontwikkelen tot een andere sport dan het traditionele rugby. En dat spel vraagt ook om een ander type sporter dan de ‘gewone’ rugbyer. „Sevens is nu al een compleet ander spel dan vijf jaar geleden”, zegt Franssen. „Het gaat veel sneller. We zijn sterker, topfit en afgetraind.”

Het bracht de bond tot de conclusie dat er meer behoefte is aan atleten dan aan rugbyers. Niet zozeer groot en zwaar, maar snel, beweeglijk, technisch en tactisch vaardig. Kummer: „Van rugbyers kun je geen atleten maken. We zijn bezig sportvrouwen om te toveren tot rugbysters.”

Maar die transformatie kost tijd, weet de bond. Getalsmatig kan Nederland lang niet concurreren met de toplanden, die kunnen kiezen uit duizenden speelsters. Om het gat te verkleinen speurt de bond in het hele land naar talent – waarbij de olympische status als worst wordt voorgehouden. En met succes: Tessel van Dongen kwam al over uit het basketbal, Jannicke IJdens uit het bosleeën.

Krijn de Schutter, technisch directeur van de NRB, staat in nauw contact met andere sportcoaches, zoals Max Caldas van de hockeysters. „Hockeysters zijn heel interessant: we hebben de beste competitie ter wereld, veel speelsters, er wordt goed getraind en hockeysters beheersen in no time het spelinzicht.”

Uit testen bleek dat atleten minder geschikt zijn dan teamsporters. „Hardlopers zijn niet gewend aan zijwaartse verplaatsing en onverwachte bewegingen”, zegt De Schutter. „Bovendien duurt het lang voordat zij spelinzicht krijgen. Voor basketbalsters of hockeysters is de route naar het toprugby veel korter dan voor een snelle sprinter.”

De eerste sporters zijn al aangeschreven – en getest: de bond liet zijn oog vallen op hockeyster Sophie Klooster, die eind vorig jaar bij Pinoké uit de selectie werd gezet. De Schutter: „Wij hebben haar benaderd, haar naam was genoemd. We hebben haar getest en de resultaten waren goed. De bal ligt nu bij haar.”

Het nieuwe bloed kan volgens Kummer een wending veroorzaken. „Ik denk dat wij met ons talentenprogramma verder zijn dan de rest van de wereld. Het valt nu nog wel eens tegen, omdat we in een overgangsperiode zitten. Maar als wij alles op orde hebben kunnen we in Rio echt meedoen om de medailles.”