Nummer 14 zonder branie

Het tijdperk van hockeyer Teun de Nooijer is bijna voorbij. Met de 453-voudig international verdwijnen zijn fluwelen techniek, zijn adembenemende rushes en zijn geniale steekballetjes. De Nooijer was allerminst een leider. En bij conflicten bleef hij op de achtergrond en „fietste hij overal rustig doorheen.”

BLOEMENDAAL - HOCKEY - Teun de Nooijer baalt tijdens de play offs hoofdklasse hockeywedstrijd tussen de mannen van Bloemendaal en Rotterdam (1-4) . Rotterdam door naar de finale. ANP COPYRIGHT KOEN SUYK

Cees Koppelaar kon zijn ogen niet geloven. De looptrainer dacht dat hij na al die jaren de meeste karaktertrekjes wel kende van Teun de Nooijer, die hij een kwart eeuw geleden, als vijftienjarig mannetje, liet debuteren in Alkmaar 1. „De félheid waarmee hij vandaag trainde”, zegt Koppelaar na afloop van de middagsessie op ’t Kopje van Bloemendaal, één van de laatste trainingen uit de loopbaan van De Nooijer. „Ook op het einde van de rit wil hij eruit halen wat erin zit. Perfectionisme tot het uiterste.”

Ook na 453 interlands, vier olympische medailles, een wereldtitel, een Europese titel, twee Europa Cups, tien landstitels – waaronder een Duitse – en drie uitverkiezingen tot beste hockeyer op aarde wijst niets erop dat Teun de Nooijer (37) tevreden is. Koppelaar zag hem zelfs „met een smoel op onweer” op de training, „zwaar gefrustreerd” dat Bloemendaal is uitgeschakeld in de strijd om de landstitel.

Dit weekeinde zijn de fluwelen techniek, de adembenemende rushes en de geniale steekballetjes nog één keer te bewonderen, tijdens de finales van de Euro Hockey League op de club waar hij groot werd. Dan volgt nog een play-offklusje tegen Kampong, voordat hij op 23 juni in Rotterdam zijn afscheidswedstrijd speelt tegen het wereldelftal.

Ook voor die wedstrijd zal De Nooijer op tijd naar bed gaan. „Teun is de personificatie van het nieuwe profhockey, waar je 24 uur per dag, zeven dagen in de week voor je sport leeft”, zegt clubgenoot en oud-international Floris Jan Bovelander (241 interlands), die een piepjonge De Nooijer begin jaren negentig zag debuteren bij Bloemendaal en het Nederlands elftal. „Daarom heeft hij het ook zo lang volgehouden in de top.”

Als tiener was De Nooijer elke dag al bezig om zichzelf te verbeteren. Bovelander: „Als hij een bal miste kon Teun een hele wedstrijd vol ongeloof naar zijn stick kijken. Hij begreep er niets van hoe hem dat had kunnen gebeuren. Dan ging hij analyseren en trainen – net zolang tot het wel goed ging.”

Het ongeëvenaarde balgevoel had hij van zichzelf, zijn vastberadenheid werd gekweekt tijdens elk voetbal- en hockeypotje dat hij speelde met zijn broers op het pleintje bij het ouderlijk huis in Egmond aan den Hoef. Alleen zijn postuur had hij niet mee. Roelant Oltmans, later zijn coach bij Bloemendaal en het Nederlands elftal, herinnert zich lange discussies over de vraag of De Nooijer al geselecteerd kon worden voor het Noord-Hollands jeugdteam. „Hij was nog zo klein en licht”, zegt Oltmans vanuit New Delhi, waar hij tegenwoordig in dienst is van de Indiase hockeybond. „Maar de klasse droop er vanaf.”

Koppelaar durfde het destijds in Alkmaar aan De Nooijer als „heel klein ventje” voor de leeuwen te werpen. „Die voorstoppers stonden met hun stick in zijn nek om hem tegen te houden, maar hij was al zo vroeg zó goed.”

Latere tegenstanders – van een hoger niveau – verging het niet veel makkelijker, bezweert de Australiër Jamie Dwyer, voormalig ploeggenoot bij Bloemendaal en vijfvoudig wereldhockeyer van het jaar. „Als wij met Australië tegen Nederland speelden ging onze teambespreking voor 50 procent over hun ploeg en de andere 50 procent over manieren om Teun af te stoppen”, zegt Dwyer vanuit Perth. „Hij was de reden dat ik bij Bloemendaal ben gaan spelen. Ik heb zoveel van hem geleerd, zowel op het veld als erbuiten. Teun is de ultieme professional. Ik heb geprobeerd hem te kopiëren.”

Dankzij zijn balgevoel en een ijzeren wil om beter te worden groeide De Nooijerbij Bloemendaal en in het Nederlands elftal uit tot één van de beste hockeyers aller tijden. Niet de beste, denkt oud-international Jacques Brinkman (337 interlands), maar wel de beste die de rijke Nederlandse hockeyschool voortbracht. „Teun symboliseert de kracht van de techniek en de schoonheid van het Nederlandse hockey”, zegt Brinkman, die met De Nooijer de olympische titels van Atlanta (1996) en Sydney (2000) vierde. „Met zijn snelheid, zijn rushes vanuit het middenveld was hij niet te houden. Daarmee leek hij op Shahbaz Ahmed, de beste hockeyer tegen wie ik ooit heb gespeeld.”

Eén actie staat veel hockeyers nog op het netvlies – zeker bij Bovelander. „Hoe hij in de halve finale in Atlanta tegen Duitsland Carsten Fischer, hun topspeler, voorbijliep alsof hij er niet stond. Aan dat moment denk ik nog wel eens als iemand mij bij de veteranen voorbij loopt. Teun was zijn tijd een stapje vooruit.”

Oltmans ziet dat als zijn doorslaggevende kwaliteit: „Teun kon wel eens wat afwezig zijn, maar op belangrijke momenten stond hij er altijd: die fenomenale actie tegen Duitsland in Atlanta, zijn golden goal in de WK-finale van 1998.”

Het ruimtelijk inzicht, de technische begaafdheid, dat watervlugge, onnavolgbare – gekoppeld aan het rugnummer 14 dat hij ging dragen in navolging van zijn Ajax-idool – maakten van De Nooijer al snel de ‘Johan Cruijff van het hockey’. Ook in zakelijk opzicht ging die vergelijking op: De Nooijer was één van de eerste hockeyprofs, met een zaakwaarnemer, Rob Jansen, en persoonlijke sponsoring. En met de Teun de Nooijer Academy, die trainingsprogramma’s biedt aan sporters en bedrijven, sloeg hij een brug naar de zakenwereld. Brinkman: „Teun is de eerste die puur door hockey een goed belegde boterham verdiende.”

Koppelaar, die Cruijff als achttienjarige looptraining gaf bij Ajax, zag naast de overeenkomsten ook grote tegenstellingen. „In hun stijl, met die explosie op het juiste moment, lijken ze feilloos op elkaar. Maar Cruijff zei op die leeftijd al dat het goed was voor mij was dat ik hem mocht trainen. Teun is het tegenovergestelde: heel correct, treedt nooit op de voorgrond. Als jongen was hij wat moeilijk bereikbaar. Nog steeds klapt hij er niets uit.”

Mede daardoor werd – anders dan Cruijff – De Nooijer nooit een echte leider. Zijn team aansporen als het niet liep, een jonge medespeler uitkafferen als ze een fout hadden gemaakt, het paste niet in zijn karakter. „Die kwaliteiten als leider had hij niet echt”, zegt Bovelander. Oltmans: „Hij was meer een leider die met zijn spel het goede voorbeeld gaf aan jongeren. Hoeveel talenten kwamen niet naar Bloemendaal vanwege Teun?”

Maar zijn gemis aan echt leiderschap viel vooral op in het moeizame tweede deel van zijn bizarre internationale loopbaan van achttien jaar. De eerste tien jaar, de gouden periode van de nationale mannenploeg, won ‘Neut’ vrijwel alles wat er op zijn pad kwam, in een ploeg met sterren als Stephan Veen, Marc Delissen en Taco van den Honert.

Maar in het laatste deel van zijn carrière kon De Nooijer niet voorkomen dat het Nederlands elftal diep wegzakte. „Hij is niet iemand die voorop ging in de strijd”, zegt Bovelander. „Maar dat de prestaties de laatste jaren tegenvielen lag niet aan hem, denk ik. Misschien waren er te weinig spelers van het type-Jacques Brinkman om hem heen.”

Brinkman zelf herkent dat wel. „Hij had mensen met power om zich heen nodig, zoals vroeger Cees-Jan Diepeveen bij Bloemendaal.”

Met zijn introverte karakter bleef De Nooijer altijd ver van de barricade als er in de hockeywereld reuring was. Van confrontaties hield hij niet, en conflicten kwamen hem slecht uit. Die voorzichtige houding leidde er mede toe dat De Nooijer, zoals Brinkman het uitdrukt, „overal rustig doorheen fietste” als er storm opstak. „Dat is ook wel typisch Teun.”

Brinkman doelt onder meer op de beruchte spelersopstand in 2003, tegen toenmalig bondscoach Joost Bellaart. Toen zes collega’s het opstappen van Bellaart eisten hield De Nooijer zich afzijdig. Oud-bondscoach Oltmans: „Teun is niet een leider die het voortouw neemt bij allerlei beslissingen. We kennen allemaal de verhalen dat hij zich bij een aantal moeilijke beslissingen minder heeft gemanifesteerd dan anderen.”

Zo weigerde De Nooijer na het WK van 2010 (New Delhi) ook zijn oude clubcoach Michel van den Heuvel te laten vallen, hoewel duidelijk was dat zijn positie als bondscoach onhoudbaar was geworden. En vorig jaar, toen Van den Heuvels opvolger Paul van Ass hem voor ‘Londen’ verrassend uit de selectie verwijderde, samen met cornerspecialist Taeke Taekema, hield De Nooijer zich stil. „Hij ging de strijd een beetje uit de weg”, zegt Brinkman. „Maar uiteindelijk was dat bij Van Ass het meest verstandige om zijn vijfde Spelen te halen.”

Die terughoudendheid is precies wat een andere icoon van het Nederlandse hockey, Ties Kruize, zo waardeert in De Nooijer. „Dat is nu eenmaal zijn karakter. Veel mensen zouden boos geworden zijn om dingen die zijn gebeurd in de carrière van Teun. Op dat gebied is hij heel evenwichtig, hij wil liever geen conflicten aangaan. Als je een oordeel geeft over een coach heb je al snel een conflict. Dat wil hij niet, dat moet je respecteren. Dat, en het feit dat hij een schitterende speler was, maakt hem tot een absolute parel van de Nederlandse hockeysport.”