Nederland rolt rode loper uit voor multinationals

‘Belastingparadijs’ Nederland lokt buitenlandse bedrijven met fiscale voordelen. De EU en de G20 willen het ontduiken en ontwijken van belastingen veel harder aanpakken en hebben het onderwerp bovenaan de agenda gezet.

Illustratie Roel Venderbosch

Wouter Bos, minister van Financiën, reageerde in 2009 getergd toen het Witte Huis een lijstje had opgesteld met drie landen die lage belastingen hanteerden: Bermuda, Nederland en Ierland. President Obama wilde de fiscale sluiproutes van Amerikaanse bedrijven aanpakken. Na diplomatiek overleg werd met terugwerkende kracht de gewraakte passage geschrapt. De indruk mocht niet worden gewekt dat Nederland een belastingparadijs is.

Vorig jaar bleek tot verontwaardiging van veel Britten dat koffieketen Starbucks dankzij een Nederlandse belastingroute nauwelijks belasting betaalde in Groot-Brittannië. En de Britse zakenkrant Financial Times bracht onlangs een prominent verhaal over Nederland als „aantrekkelijk land voor belastingontwijking door bedrijven”. De krant verwees daarbij naar cijfers van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) uit april, waaruit blijkt dat Nederland vorig jaar 3.500 miljard dollar aan buitenlandse ‘investeringen’ aantrok. Daarvan belandt maar 16 procent in de Nederlandse economie, de rest stroomt door naar andere landen. Met Luxemburg is Nederland wereldwijd koploper wat betreft de verhouding tussen dat bedrag aan buitenlandse ‘investeringen’ en de binnenlandse economie.

„Nederland is voor internationaal opererende ondernemingen fiscaal aantrekkelijk door een groot aantal belastingverdragen en een Belastingdienst waarmee je goede afspraken kunt maken”, zegt voormalig staatssecretaris van Financiën Willem Vermeend. „Sommige landen die met Nederland concurreren om nieuwe bedrijven aan te trekken, zoals Groot-Brittannië, doen er alles aan om met gunstigere regelingen te komen en zullen niet nalaten ons land af te schilderen als een belastingparadijs. Vooral in perioden van crisis is er sprake van een keihard gevecht om bedrijfsvestigingen.”

Onder Vermeends bewind zette Nederland zich in de jaren negentig op de kaart als fiscaal aantrekkelijke vestigingsplaats voor buitenlandse bedrijven. Vermeend had de reputatie van een fiscale straatvechter.

Wie vecht heeft een vijand, vooral als de inzet geld is. Europa bevindt zich in een recessie en de regeringen hebben dringend geld nodig. De Europese Unie wil daarom het ontduiken en ontwijken van belastingen harder aanpakken. Het onderwerp staat woensdag bovenaan de agenda van een eurotop in Brussel. En volgende maand komt de OESO met een advies voor de regeringsleiders van de G20.

In de tussentijd gaat de zelfpromotie van Nederland door. Zoals toeristen worden gelokt met stereotypen als molens en tulpen, zo probeert het ministerie van Economische Zaken buitenlandse investeerders warm te maken met een gunstig fiscaal klimaat. Een apart onderdeel van het ministerie houdt zich hier mee bezig: het Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA). De organisatie, met 22 kantoren over de hele wereld, jaagt op buitenlandse bedrijven. Aantrekkelijke belastingen is een van dé lokkertjes. ‘Why invest in Holland? ... because Holland offers a highly competitive fiscal climate’, staat in koeienletters op een NFIA-brochure. Verderop: zeventien „aantrekkelijke aspecten” van het Nederlandse belastingregime. De „bereidwillige houding” van de Belastingdienst is een hoofdpunt.

In een speech voor fiscaal specialisten benadrukte staatssecretaris Frans Weekers (Financiën, VVD) in maart het belang van het belastingregime en zei Nederland hoog te willen houden „als land dat de rode loper uitrolt voor het internationale bedrijfsleven”.

Een van de meest onderscheidende aspecten van die rode loper zijn tax rulings: de mogelijkheid voor bedrijven om vooraf afspraken met de fiscus te maken, waarbij wordt vastgelegd over welk deel van de winst belasting is verschuldigd.

Het Nederlandse rulingsysteem ontstond na de Tweede Wereldoorlog. Als onderdeel van de Marshall-hulp wilden Amerikaanse bedrijven investeren in het gehavende Nederland, en dat werd gemakkelijker als er gunstige afspraken te maken waren met de Belastingdienst. Sinds de jaren negentig worden deze afspraken afgehandeld op één kantoor: de Belastingdienst Grote Ondernemingen in Rotterdam.

Op het kantoor werkt de fine fleur van de Nederlandse belastingambtenaren. Aan de andere kant treffen ze de belastingconsulenten van ‘de grote vier’ accountants – Deloitte, PwC, Ernst & Young, KPMG. „Toponderhandelaars”, zegt een fiscalist die namens zijn bedrijf (een multinational) onderhandelde over een vestiging in Nederland. Hij wil niet met zijn naam in de krant. „Het wordt niet gewaardeerd als je over het fiscale receptenboek vertelt in de media.”

Hij zegt wel: „Het is een spel van geven en nemen. Een vorm van fiscale grensverkenning, waarbij alle partijen ervan doordrongen zijn dat Europa over de schouder meekijkt.”

Dat bleek bijvoorbeeld deze week. Via de Volkskrant kwam naar buiten dat Nederland een ruling met het Portugese energiebedrijf EDP heeft opengebroken. Belangenorganisatie Tax Justice stelde vorig jaar bij de Europese Commissie vragen over de belastingafspraak van EDP met de Nederlandse fiscus. EDP zou om fiscale redenen miljardenleningen via een Nederlandse bv laten lopen. Over de winst van 43 miljoen euro droeg die bv 2,2 miljoen euro af aan de fiscus. Dat bedrag is door een ingreep verhoogd naar 13,5 miljoen euro. Zo komt het vaker voor dat rulings worden aangepast als niet aan de vooraf afgesproken voorwaarden wordt voldaan.

De ‘bereidwillige houding’ van de Belastingdienst, in combinatie met ruim negentig belastingverdragen met andere landen en fiscale regels die het mogelijk maken om rente en royalty’s onbelast door te sluizen naar een ander land, lokt internationale discussie uit.

De actuele discussie over belastingontwijking barstte pas echt los na internationale ophef over Starbucks in Groot-Brittannië. De Amerikaanse koffieketen wist er de belasting te drukken dankzij een Nederlandse houdstermaatschappij. De winsten werden gedrukt door extra hoge licentiekosten die de houdstermaatschappij aan de vestigingen in Groot-Brittannië berekende: de Dutch Sandwich. „De Britten gebruiken Nederland als zondebok, terwijl ze onvoldoende hebben opgelet of de prijs die Starbucks hanteert wel zakelijk de juiste was”, zegt Vermeend. Inmiddels heeft de Britse belastingdienst de fout hersteld en de Starbucks-regeling beperkt.

De discussie laat ook de Tweede Kamer niet onberoerd. Vorige maand nam de Tweede Kamer een motie aan die staatssecretaris Weekers oproept binnen drie maanden met een plan van aanpak te komen tegen belastingontwijking door internationale bedrijven via Nederland.

Voor sommigen lijkt de discussie op een déjà vu. In de jaren negentig ondernam Mario Monti als Europees belastingcommissaris een poging om alle fiscale regelingen te harmoniseren. ‘Super Mario’ vond dat Europa moest concurreren met de rest van de wereld en niet onderling, zoals verschillende lidstaten, waaronder Nederland, zouden doen.

Hij gaf de Britse staatssecretaris van Financiën Dawn Primarolo de opdracht om alle fiscale regelingen van de afzonderlijke Europese lidstaten in kaart te brengen. Met name de Nederlandse rulingpraktijk kreeg er van langs. Tot die tijd had Nederland een zogeheten rulingboekje: daarin stonden de afspraken die buitenlandse bedrijven met de Nederlandse belastingdienst konden maken, inclusief vaste percentages over het deel dat als winst gerapporteerd moest worden. Die vaste prijzen waren het grootste struikelblok voor Europa, omdat er geen analyse aan ten grondslag lag.

Onder Europese druk voerde Wouter Bos als staatssecretaris van Financiën en opvolger van Vermeend een nieuw rulingsysteem in: de Advance Pricing Agreements (APA) en Advance Tax Rulings (ATR). Het resultaat was niet direct wat Europa verwachtte. Volgens Wiecher Munting, partner bij Otterspeer Haasnoot & Partners en voormalig leider van een rulingteam, pakt het systeem voor de bedrijven juist vaak voordeliger uit en zijn de belastinginkomsten voor de schatkist dus gedaald. „Het brengt minder op. De winst moet voortaan worden onderbouwd en die onderbouwing leidt veelal tot lagere marges.”

Een groot deel van de rulings, zegt Munting, wordt aangevraagd voor financieringsmaatschappijen, ook wel ‘doorstromers’ genoemd. Bedrijven richten hier een bv op die bijvoorbeeld geld verstrekt aan een bedrijfsonderdeel in land X. Die vordering wordt gefinancierd met een schuld aan een moedermaatschappij in land Y. De rente wordt vaak met een hoog belastingtarief afgetrokken in land X en ontvangen in land Y dat een lager tarief kan hebben.

De kleinere financieringsmaatschappijen worden brievenbusbedrijven genoemd en bestuurd door trustkantoren die zich bezighouden met het beheren van vennootschappen. Voor bedrijven loont het namelijk niet om daarvoor een kantoor met eigen personeel op te richten.

Munting omschrijft ze als „marketingtool voor de BV Nederland”. Een manier voor buitenlandse bedrijven om Nederland te ontdekken als land met goede zakelijke dienstverlening, waar goede afspraken kunnen worden gemaakt met de autoriteiten. Met die ervaring in het achterhoofd kunnen bedrijven besluiten om hier vervolgens een fabriek, hoofdkantoor of onderzoeksafdeling te openen.

Op dit moment zinnen de G20-landen op maatregelen om belastingontwijking van multinationals via fiscale vluchtroutes aan te pakken. Want veel landen proberen bedrijven te lokken met lage belastingtarieven en afspraken.

Met name Groot-Brittannië manifesteert zich op dit moment. Het ministerie van Financiën heeft een glossy folder – A guide to UK taxation – de wereld in gestuurd met maar één doel: Groot-Brittannië moet de beste locatie in de wereld worden om je te vestigen voor wereldwijd ondernemen. De vennootschapsbelasting wordt van 24 procent verlaagd naar 20 procent in 2015.

George Osborne, de Britse minister van Financiën, heeft van een laag belastingtarief voor ondernemingen de speerpunt gemaakt van zijn beleid. Uit een recent onderzoek van Ernst & Young blijkt dat die verlaging voor een verbetering van de concurrentiepositie van Engeland zorgt. Volgens Steve Varley, de Britse voorzitter van Ernst & Young, overwegen 40 multinationale ondernemingen hun Europees hoofdkantoor in Londen te (her)vestigen en te vertrekken uit landen als Ierland en Nederland. Voor de Britten zou het één miljard pond (1,2 miljard euro) opleveren en meer dan 2.000 banen.

„Nederland en Groot-Brittannië spelen het spel hard, ze zijn elkaars concurrenten”, zegt Marnix van Rij, partner bij Ernst & Young en voorzitter van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB). „Londen wil op termijn het beste vestigingsklimaat van de G20 hebben. Ze hebben inmiddels de Nederlandse deelnemingsvrijstelling gekopieerd en ook zijn er steeds meer afspraken te maken met de Britse fiscus.”

Volgende maand komt de OESO met aanbevelingen voor de G20. „De inzet zal zijn een gelijk speelveld voor alle partijen”, zegt Van Rij. „Dus afspraken maken over de manier van belasting heffen. De verschillen zoveel mogelijk opheffen en zoveel mogelijk transparantie nastreven.”

Ondanks alle internationale ophef signaleert Van Rij dat Nederland „een gunstige uitgangspositie” heeft in de belastingdiscussie. „Op het gebied van transparantie lopen wij voorop. En op het gebied van uitleg van de regels zijn we innovatief.”