Met een mag je wat je wil werkloze doen Valse concurrentie door de werkplicht

Werklozen worden niet op waarde geschat, zijn doelwit van ‘sadistische kritiek’ van werkenden en op een eerlijke behandeling hoeven ze ook niet te rekenen, vindt Niels Feitsma.

Illustratie Mariël Vermuë

In zijn Dagboek van een werkloos intellectueel schreef de Zwitserse denker Denis de Rougemont ooit het volgende: „Voor veel burgers is de werkloze een mysterieus en een enigszins angstaanjagend wezen, hij speelt de rol van een boeman voor grote mensen”. Hoewel onze huidige crisis vooralsnog veel minder ernstige maatschappelijke gevolgen heeft dan de crisis van de jaren dertig, de tijd waarin De Rougemont zijn beroemde boek schreef, loopt de werkloosheid in Nederland inmiddels sterk op. Ondertussen wordt op verjaardagsfeestjes nog altijd gesproken over Nederland als paradijs voor uitkeringstrekkers, een land waar je in de woorden van Pim Fortuyn „in een BMW je uitkering kunt komen ophalen”. Maar klopt dat beeld wel?

In de media wordt nog steeds gedaan alsof Nederland een land is met een stelsel van uitstekende sociale voorzieningen. Deze opvatting komt men eveneens tegen in officiële beleidsstukken en bij bijeenkomsten voor een publiek van internationale experts. Maar ten opzichte van vroeger is er inmiddels het nodige veranderd. Het sociale stelsel is gemoderniseerd: niet langer de rechten, maar de plichten staan centraal. „Thuis zitten met een uitkering, dat is er niet meer bij in Nederland”, zo liet CDA-prominent Jack de Vries zich eens ontvallen. En volgens econome Barbara Baarsma is het heel normaal om van mensen die een uitkering ontvangen een tegenprestatie te verlangen. Er waait een andere wind. Uitgangspunt van beleid is thans het adagium van voormalig gevangenisdirecteur Rita Verdonk: iedereen die kan werken, moet werken.

De werkleerbedrijven en participatiecentra schieten momenteel als paddenstoelen uit de grond. Iedereen wordt er aan het werk gezet om ‘werkritme op te doen’ of ‘te leren omgaan met collega’s’. Het werk dat mensen er moeten doen, is meestal zeer eenvoudig en lijkt vaak op het werk dat in sociale werkplaatsen of penitentiaire inrichtingen wordt gedaan. De ex-heroïneverslaafde die al tien jaar aan de kant staat, de analfabeet die eigenlijk nauwelijks kans heeft op de arbeidsmarkt, de gepromoveerde sterrenkundige die geen nieuwe aanstelling aan de universiteit kan krijgen: iedereen wordt bij elkaar gezet. Naar werkervaring, leeftijd en achtergrond wordt niet gekeken. De ontslagen manager van achter in de veertig die zijn hypotheek niet meer kan betalen, de bouwvakker die als zelfstandig ondernemer zijn hoofd niet meer boven water kan houden, de Marokkaanse jongere die zijn opleiding niet heeft afgemaakt: iedereen moet dezelfde soort werkzaamheden verrichten.

Tegen dit beleid zijn een aantal bezwaren. Allereerst is het natuurlijk domweg kapitaalvernietiging om hoog opgeleide mensen in te zetten voor allerlei simpele taken. De maatschappij heeft veel geld uitgegeven aan hun opleiding. Het is volkomen absurd die mensen vervolgens in te zetten voor taken die zij ook hadden kunnen verrichten als zij op hun zestiende zonder diploma van school waren gegaan. Bovendien is het zeer de vraag of zij überhaupt nog wel kunnen terugkeren in passende functies op de arbeidsmarkt als zij te lang onder hun niveau worden ingezet, waardoor de investering voor de samenleving definitief verloren dreigt te gaan.

Maar met dit beleid wordt bovendien de concurrentiepositie van veel werknemers, met name van diegenen aan de onderkant van de arbeidsmarkt, ondergraven. Want waarom zou je nog iemand tegen het minimumloon in dienst nemen als je een veel goedkopere – of misschien zelfs gratis – arbeidskracht kunt inschakelen? De riante salarissen van veel directeuren en managers en de mooie winstcijfers van bedrijven doen vermoeden dat er wel degelijk geld genoeg is om mensen tegen reguliere arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen. Het is doodordinaire concurrentievervalsing: een onderneming die kan beschikken over de spotgoedkope arbeid van uitkeringsgerechtigden, heeft natuurlijk een belangrijk concurrentievoordeel ten opzichte van andere bedrijven.

Werklozen bevinden zich ondertussen in een kwetsbare positie. Zij zijn overgeleverd aan de genade van het werkende deel van de bevolking. Een werkloze is in de ogen van veel mensen toch min of meer schuldig aan werkweigering - tot hij zijn onschuld kan bewijzen door weer aan de slag te gaan. De hardwerkende Nederlander heeft meestal erg weinig begrip voor de positie waarin de uitkeringsgerechtigde zich bevindt. Het taalgebruik waarvan hij zich bedient wanneer hij over de werklozen spreekt, verraadt een sadistisch karakter. Hij drukt zich over het onderwerp bij voorkeur uit in allerlei fysieke termen: hard aanpakken, de duimschroeven aandraaien, prikkels geven.

Het is niet nieuw dat er op verjaardagsfeestjes tegen werklozen tekeer wordt gegaan. Veel erger is dat het beleid tegenwoordig gebaseerd lijkt te worden op wat er dan aan platvloerse vooroordelen naar voren wordt gebracht.

In Apeldoorn kunnen bijstandsgerechtigden zich inmiddels niet langer „onttrekken aan hun verplichting in de samenleving”, zo stond onlangs in De Stentor. In Gilze en Rijen worden werkzoekenden door de wethouder verplicht te gaan hardlopen, zo viel enige tijd geleden te lezen in Binnenlands Bestuur.

Het beleid wordt doorgaans verdedigd door te verwijzen naar ‘de resultaten’: mensen stromen volgens de statistieken uit naar allerlei banen – vermoedelijk vooral aan de onderkant van de arbeidsmarkt – en dus is het beleid succesvol. Vaak gaat de argumentatie gepaard met bombastisch taalgebruik: mensen worden ‘in hun kracht gezet’, of wordt ‘een stukje eigen verantwoordelijkheid’ bijgebracht. In de Reïntegratieverordening Gemeente Eindhoven wordt zelfs zonder enig pardon het afschuwelijke woord ‘arbeidsinschakeling’ gebruikt. Dat ondertussen de deur wordt opengezet naar machtsmisbruik en wantoestanden, blijft veelal onderbelicht. In het Zwartboek Werken in de Bijstand van de FNV wordt bijvoorbeeld melding gemaakt van een geval waarin een gemeente voor uitzendbureautje speelt en doodleuk verdient aan het uitlenen van een uitkeringsgerechtigde.

Iedere gemeente heeft de vrijheid om het beleid zelf vorm te geven, eventueel in overleg met het lokale bedrijfsleven. Daarmee dreigt willekeur en rechtsongelijkheid. Iedereen kan zich coach noemen – dit is geen beschermde titel – en zich geheel naar eigen inzicht gaan bezighouden met de tewerkstelling, de reïntegratie, of de ‘professionele begeleiding’ van werkzoekenden. De facto zijn de werklozen vogelvrij verklaard: je mag met ze doen en laten wat je wil. Toch blijft het hieromtrent opvallend stil in de media. Het is tijd dat dat verandert. Want nu steeds meer mensen worden getroffen door de crisis, zou dit vraagstuk hoog op de politieke agenda moeten staan.

De Nederlandse verzorgingsstaat is in korte tijd veranderd in een bureaucratisch monster. . In een werkelijk democratische maatschappij heeft iedereen recht op ontplooiing, op zelfverwerkelijking. Iedere burger moet kunnen rekenen op een menswaardige behandeling door de overheid.

Als wij willen dat werklozen met behoud van uitkering aan de slag gaan, dan moeten wij dat goed regelen. Dat doen wij nu niet. Derhalve geldt wat De Rougemont voor de Tweede Wereldoorlog in zijn dagboek schreef nog altijd: „Voor het merendeel der moderne mensen betekent dreigende armoede niet in de eerste plaats honger en uitputting, maar voor alles vernedering.”

Niels Feitsma is historicus en freelance schrijver.