Man in Harappa kwam van ver

Mannenbeeldje uit de Harappa- beschaving, 2700-2000 v. Chr. National Museum, New Delhi

Er is bar weinig bekend over het dagelijks leven in de oude Indusbeschaving (ca. 3000- 1500 v. Chr.), vooral doordat nog steeds het schrift niet ontcijferd is. Onderzoek aan veertig skeletten in de belangrijkste Indus-stad Harappa (40.000 tot 80.000 inwoners) hebben nu iets meer opgehelderd. Uit analyse van isotoopverhoudingen (vooral van strontium) in het tandglazuur blijkt dat vooral de vrouwen in de buurt van Harappa geboren waren, de mannen kwamen van veel verder weg. Twee mannen hadden zelfs een sterk afwijkende isotoopsignatuur. Dat zou kunnen wijzen op een bijzondere positie voor vrouwen, maar daarvoor is het nog veel te vroeg. Het is in ieder geval een argument tegen de theorie dat de Harappa-samenleving zeer besloten was (Journal of Archaeological Science mei).

De onderzoekers van de universiteit van Wisconsin schrijven dat ze hadden gehoopt ook een groot aantal skeletten uit Ur in Mesopotamië op dezelfde wijze te analyseren. Maar van de vele skeletten die daar bij opgravingen in de jaren twintig waren gevonden, konden ze er maar twee terugvinden. Te weinig om vast te stellen of sommige van de mannen uit Harappa misschien afkomstig waren uit Mesopotamië of andersom.

Harappa had een belangrijke beschaving, zo werd in het gebied waarschijnlijk het gebruik van zijde uitgevonden, ca. 2450-2000 voor Chr. (Archeometry, juni 2009). En dat er contact is geweest tussen de twee oerbeschavingen in West-Azië is duidelijk: in Ur zijn veel kunstvoorwerpen (kralen, beeldjes, sieraden) en typerende Harappa-gewichten gevonden. Zelfs de beroemde gouden blaadjes van het diadeem van ‘koningin’ Puabi van Ur blijken volgens een recent onderzoek vooral te lijken op de blaadjes van de sissooboom, die niet in Mesopotamië voorkomt, maar wel in het Indus-gebied (Antiquity, december 2008). Maar nooit werd direct contact bewezen. Het hoogtepunt van de Harappa-cultuur lag tussen 2600 en 1900 voor Chr. Onder meer omdat er geen versierde wapens zijn gevonden is er wel gedacht dat er weinig geweld werd gebruikt. In recent onderzoek (International Journal of Paleopathology, december 2012) wordt beschreven hoe na het verval van de steden, vanaf 1900 v. Chr., in graven meer schedels met zware verwondingen werden aangetroffen dan in de bloeitijd.