Losgezongen van het eigen land

De Nederlandse sociologie dreigt te vervreemden van de eigen samenleving, waarschuwt de beroepsvereniging NSV.

Jan Willem Duyvendak: ‘Voor sociologen is de wereld in korte tijd veel groter geworden.’ Foto Roger Cremers

Het is in meer dan één opzicht een bijzonder stuk, de jongste bestuursnota van de Nederlandse Sociologische Vereniging (NSV). Allereerst hebben alle sociologieafdelingen in Nederland er hun handtekening onder gezet – en dat is opmerkelijk gezien de richtingenstrijd van de afgelopen decennia. De nota, met de titel Naar een evenwichtiger kwaliteitsbeoordeling van sociologisch onderzoek, valt ook op door de alarmerende toon. ‘Dit advies’, schrijft NSV-voorzitter Jan Willem Duyvendak in het voorwoord, ‘komt voort uit grote verontrusting over eenzijdige criteria die worden aangelegd bij de beoordeling van onderzoek en de effecten die dit heeft op de sociologiebeoefening in Nederland: een steeds meer van de samenleving vervreemde sociologie.’

De sociologie, aldus de samenstellers van de nota, heeft een tweeledige taak: ze moet de samenleving niet alleen bestuderen, maar ook dienen. Sociologen moeten een bijdrage leveren aan de aanpak van sociale problemen en deelnemen aan het maatschappelijke debat. Daarvoor krijgen ze steeds minder de gelegenheid.

Door de nadruk op internationaal publiceren en de bijna exclusieve puntenwaardering voor publicaties in Engelstalige tijdschriften raakt het vak steeds meer losgezongen van de Nederlandse samenleving. Wat Nederlandse sociologen winnen aan internationaal prestige, verliezen ze aan relevantie. De mooiste zin in het rapport: ‘De ironie […] is dat het begrip publicatie in zijn tegendeel is verkeerd: wat telt als publicatie bereikt niet langer enig publiek, terwijl wat wel door het publiek wordt gelezen, niet wordt erkend als publicatie (en daarom steeds minder zal worden geschreven).’

Duyvendak, hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, geeft een toelichting in zijn werkkamer in het Spinhuis. “Als ik om me heen kijk”, zegt hij, “zie ik dat de druk om in het Engels te publiceren steeds groter wordt. Er promoveren generaties aio’s die nog nooit iets in het Nederlands hebben geschreven en daar ook helemaal niet aan denken. De staf hier internationaliseert in een hoog tempo. Het zijn heel goede sociologen, maar ze schrijven niet zo gauw in Nederlandse kranten en tijdschriften.

“Ik doe er zelf ook aan mee”, bekent Duyvendak. “Ik voer jaarlijks gesprekken met medewerkers over wat ze gedaan hebben en ik hoor mezelf juist bij de Nederlanders zeggen: heb je wel genoeg publicaties in die en die tijdschriften? Dit patroon bedreigt onze nationale oriëntatie. En verder draait alles om waarderingspunten. Een sollicitatiebrief van een socioloog bestaat tegenwoordig grotendeels uit een publicatielijst, met per artikel de citatiescore van het tijdschrift op het moment van publicatie en de impactfactor. Een totale kwantificering van het werk.”

Is dat een kwaliteitsprobleem?

“De samenleving is ons object van onderzoek en als je dat object niet informeert over de uitkomst van dat onderzoek is de kwaliteit eenzijdig. Ik denk dat publiceren in Engelstalige toptijdschriften, zoals de American Sociological Review, hoogwaardige, generaliseerbare kennis oplevert. Maar alle sociologieafdelingen vinden intussen dat dit niet voldoende is voor kwalitatief goede sociologie. Je moet je ook afvragen welke kennis nuttig is voor de Nederlandse samenleving. Dat is niet alleen toegepaste kennis, het kan ook de vorm aannemen van beschouwingen over de samenleving, bijdragen in kranten die een bespiegelend karakter hebben en die het publieke debat informeren.”

NWO rept nu toch ook van ‘valorisatie’, weging van de maatschappelijke relevantie?

“Ja, maar die NWO-visie is hyperinstrumenteel: topsectoren, productiviteit, economische rentabiliteit. Sociologen kunnen ook een bijdrage leveren die meer reflexief is én gebaseerd op empirisch onderzoek.”

De vraag is waarom sociologen zich nu minder laten horen in eigen land, en over de eigen samenleving. Duyvendak: “Voor sociologen is de wereld in korte tijd veel groter geworden. Ze doen nu mee aan conferenties, publiceren in toptijdschriften. Resultaten worden voorgelegd aan het breedst mogelijke forum van vakgenoten. Dat is heel attractief. Maar de hoogwaardige, generaliseerbare kennis die dat oplevert, is maar voor een deel verplaatsbaar naar de lokale situatie. Wij zeggen: je hebt een eigen ethos als socioloog, je hoort mee te doen aan het Nederlandse debat. De jongere generatie is opgevoed met het idee: je neemt deel aan het internationale debat.”

Waar komt de onvrede dan vandaan?

“Voor een deel komt die van binnenuit. Mensen die zowel internationaal willen publiceren als lokaal een rol spelen, beleidsgericht, maar ook in het publieke debat, merken dat ze dat niet allemaal tegelijk kunnen. En dat de waardering voor internationaal publiceren wel heel hoog is. Nu krijgen ook afdelingen die jarenlang vooral op publicaties in toptijdschriften gericht waren, zoals Utrecht, Nijmegen en Groningen, het gevoel in een vacuüm te opereren. We weten allemaal dat artikelen gemiddeld door vijf mensen worden gelezen en dat er veel meer wordt geschreven dan we kunnen lezen.”

Maar er zijn ook externe factoren. “Alle grote NWO-programma’s krijgen tegenwoordig co-financiering van ministeries, gemeentes, woningcorporaties, noem maar op. De vraag uit de samenleving naar ons soort kennis is groot en er is veel meer bereidheid dan ik ooit verwacht had om er ook aan mee te betalen.”

De opstellers van de NSV-nota besteden veel aandacht aan de toepassing van vakkennis. ‘Toepassing behoort tot het wezen van empirische sociale wetenschap’, schrijven ze. Toch willen ze niet te dicht tegen het beleid aan zitten, en ook niet alleen stukjes schrijven in de krant. Zo bezien pleit de nota voor opwaardering van een praktijk die er nog niet is.

Duyvendak: “Voor een deel is dit inderdaad een opdracht aan onszelf om duidelijk te maken bij welk type beroepen we willen aansluiten. Vroeger was het duidelijker, bijna iedereen in de rijksdienst was socioloog. Nu zijn het allemaal bestuurskundigen. Dat komt door de heersende opvatting bij de rijksoverheid dat sociale wetenschappers alleen verstand hebben van beleidsprocessen. Zo is inhoudelijke kennis van sociale ontwikkelingen deels verloren gegaan.”

Hoe verhoudt de sociologie zich tegenwoordig tot de politiek?

“In de jaren zeventig zat de sociologie veel dichter op het beleid. Ze is voor een deel gediskwalificeerd toen de overtuiging postvatte dat het integratiebeleid mislukt was. De sociologie werd daar op aangekeken, want die had meegedaan. Het was één grote kongsi, zeggen populisten nu. Feitelijk klopt dat niet, maar etnische en migratiestudies zaten wel heel dicht op het beleid. Dat stemt tot nadenken: onze inbreng mag niet te dienstbaar zijn aan overheden. Andersom raken politici wel erg losgezongen van het onderzoek: het kan hun niet schelen wat uit onderzoek blijkt, zij gaan gewoon hun gang.”

Met wetenschappelijke bureaus die dicht tegen de politiek aan zitten, zoals de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), doen sociologen wel veel samen. “We zoeken naar kanalen waarlangs je onderzoeksresultaten kunt laten landen. Want maatschappelijk functioneren is niet alleen deelnemen aan een nogal amorf publiek debat, hoe belangrijk ook. Door het opdrachtonderzoek, zoals ons project Wet op Maatschappelijke Ondersteuning (WMO), komen we bij allerlei professionals, street level bureaucrats.

“We zouden dat meer moeten doen maar we hebben het enigszins verleerd. We vonden het een beetje eng; het is de angst dat zuivere kennis misschien besmet raakt. En wij prikken graag beleidsmythes door, maar we moeten oppassen dat we daarmee niet ons gezag verliezen. Het is erg balanceren.”

Wat moet er veranderen in de beoordeling van wetenschappelijk werk?

“Er zou meer moeten meetellen: bijdragen aan conferenties met beleidsambtenaren; publicaties in Nederlandse tijdschriften en in publieksmedia; leerboeken; bijdragen aan een jaarvergadering. Monografieën tellen nog mee, maar op een hoofdstuk in een bundel wordt neergekeken. Waarom? Natuurlijk mag je laten meewegen bij welke uitgever het boek is verschenen, want bekende uitgevers hebben reviewprocedures en die garanderen meer kwaliteit.

“Ik wil niet zeggen dat elke uiting van iedere socioloog gehonoreerd moet worden. Je mag wel degelijk een hiërarchie aanhouden, maar het is nu volstrekt doorgeslagen naar één bepaald type wetenschappelijke output.”