‘In Hongarije was ik een machine, hier ben ik een mens’

Een nieuwe Bredase instelling voor dementerenden was snel gevuld. Maar het vinden van hun verzorgers bleek moeilijker. Uitzendkrachten uit Hongarije zijn de oplossing – met goede opleiding en nazorg.

Soms, als collega’s verzuchten dat het zo druk is, zegt Peter Balint lachend: „Hoezo?” Foto Merlin Daleman

‘Klaar”, zegt Jan. Hij kijkt tevreden naar de puzzel – twaalf stukjes, drie poema’s. „Dat is heel erg mooi”, zegt Peter Balint (36). Hij hurkt naast Jan en legt zijn arm om Jans stoel. „Heel erg goed.”

Balint kwam acht maanden geleden vanuit Hongarije naar Nederland om bij zorgstichting deBreedonk in Breda te werken met mensen met dementie. In Hongarije werkte Balint ook in de zorg. Hij verzorgde in zijn eentje dertig ouderen. Als hij met een patiënt in de badkamer was, waren de andere 29 alleen. „Het was niet veilig.” Hij verdiende slechts 350 euro per maand en werkte naast zijn voltijdbaan bij drukkerijen en in fabrieken om rond te komen. Zijn vrouw en tweejarige dochter zag hij bijna nooit.

Om zijn dochter een toekomst te kunnen bieden, zocht hij werk in het buitenland. In het kantoor van het Nederlandse uitzendbureau T&S Group in Boedapest tekende hij een contract. Hij kreeg een opleiding in zijn eigen land en direct salaris. Ruim een half jaar lang leerde hij Nederlands van Nederlandse docenten. Hij leerde omgaan met Nederlandse medicijnen en materialen en oefende wondverzorging, injecteren, katheteriseren. Hij leerde over de Nederlandse cultuur.

De mensen van deBreedonk kwamen naar Hongarije om in het Nederlands sollicitatiegesprekken met hem te voeren. Wist hij wel dat de mensen met dementie bij deBreedonk met zijn zessen in een woning wonen? Dat verzorgers in die woning niet alleen de ouderen verzorgen, maar ook koken en afwassen? Koken kon hij niet. De rolverdeling in Hongarije is erg traditioneel. Maar hij wilde het graag leren, zei hij in zijn beste Nederlands. Oef, wat was hij zenuwachtig geweest. Maar de mensen van deBreedonk waren enthousiast. Hij mocht naar Breda komen.

DeBreedonk bouwde de nieuwe, Bredase zorglocatie voor mensen met dementie in 2009. Twaalf woningen voor elk zes bewoners. De 72 plaatsen voor bewoners waren het jaar daarop al snel gevuld, maar de tachtig vacatures niet. Hoe actief deBreedonk ook wierf, de instelling vond bij lange na niet genoeg verzorgenden.

DeBreedonk bekeek de mogelijkheden binnen de eigen organisatie. 21 mensen waren bereid zich te laten opleiden tot een hoger verzorgingsniveau. Maar de opleiding kost tijd en het tekort aan verzorgenden was niet direct op te lossen. Via uitzendbureau T&S Group raakte manager Zorg en Wonen Carlie Geerts (62) enthousiast over het idee van Hongaarse medewerkers, die snel aan de slag zouden kunnen. De oplossing kostte hem niets meer en niets minder dan werken met moeilijk te vinden Nederlandse uitzendkrachten.

Samen met zijn teammanager José Stange werd Geerts door T&S verschillende keren naar Boedapest gevlogen. Ze selecteerden uiteindelijk twaalf verzorgenden: vijf mannen en zeven vrouwen. Geerts: „Om een optimale integratie te waarborgen, willen we niet meer dan één Hongaarse medewerker per woning.”

Geerts vindt het belangrijk dat T&S de huisvesting voor de Hongaarse verzorgenden in Nederland heeft geregeld. Net als de paperassen, de inburgering, de nazorg. „Zo kan deBreedonk zich primair blijven richten op goede zorg. En zo hoort het.”

T&S Group haalt al jaren buitenlandse arbeidsmigranten naar Nederland voor uitzendwerk. Vooral Oost-Europeanen, voor logistiek en transport. Maar die sectoren hadden het zwaar te verduren als gevolg van de crisis, dus zocht T&S naar een crisisbestendiger markt: de zorg. Toen ze in Polen informeerden, bleken alle verpleegkundigen al vertrokken. Naar Engeland en Scandinavië, waar ze vier keer zo veel konden verdienen als in eigen land.

T&S legde contacten in Praag, maar daar lachten Duitse en Engelse uitzendbureaus hen keihard uit. „Jullie zijn veel te laat”, zeiden ze. „Jullie hadden hier vijf jaar geleden moeten komen.” Uiteindelijk kwam T&S in Hongarije terecht, en in Roemenië – Roemenen mogen zich per 2014 vrij vestigen in de rest van de Europese Unie.

„Wij zijn goed in het opleiden en de nazorg”, zegt algemeen directeur Stef van Bladel. „Wij begeleiden onze zelfstandige, hoog opgeleide uitzendkrachten zo goed mogelijk zodat ze geen heimwee krijgen. Hoe langer ze blijven, hoe beter. Voor de klant, voor patiënten en voor ons. Als ze een aantal jaar via ons in Nederland werken, kunnen wij de hoge opleidingskosten over een langere periode terugverdienen.”

Toen Peter Balint in Nederland aankwam, werd hij opgevangen door een persoonlijke coach. Die bracht hem en twee medeverzorgenden naar een huis in Breda. „Mooi! Groot!” Ze nam hen een week lang op sleeptouw. Ze bezochten de Efteling. Ze verkenden Breda. Ze fietsten gezamenlijk naar deBreedonk. Balint: „De eerste keer deed ik het in dertig minuten, nu in een kwartier.” Nog steeds kan Balint met vragen bij zijn coach terecht. En ondertussen duurt zijn opleiding Nederlands voort. Hij werkt 36 uur en heeft elke woensdag taalles.

Natuurlijk mist hij zijn vrouw en zijn dochter. Laatst heeft hij ze in zijn vakantie bezocht. Hij hoopt dat ze op een dag bij hem in Nederland zullen wonen. Zijn vrouw is microbioloog. Ze kan hier vast een baan vinden. „We willen allebei graag dat onze dochter opgroeit in Nederland.”

DeBreedonk is blij met Balint. Geerts: „Maar eerlijk is eerlijk, niet alle Hongaren spreken al zo goed Nederlands als hij. Daarom is het fijn dat de Nederlandse lessen voortduren.” En Balint heeft het naar zijn zin, al moest hij wel wennen. De eerste dag vroeg hij, nadat hij de zes bewoners had gewassen en aangekleed: „En nu?” Dat hij gewoon met een bewoonster een spelletje mocht spelen, voelde haast ongemakkelijk. Soms, als collega’s verzuchten dat het zo druk is, zegt hij lachend: „Hoezo?” Want: „In Hongarije was ik een machine, hier ben ik een mens, een soort familielid.”

„Klaar”, zegt Jan nog eens en hij wijst naar zijn puzzel. Balint hurkt opnieuw naast Jan en bekijkt de puzzel met de poema’s nog eens. Zijn hand ligt op Jans schouder. Als hij omhoog komt, zegt Balint: „Jan is mijn vriend. Wij zijn mannen onder elkaar.”