Heel Egypte loopt door onze winkel

Duizenden inwoners van Kairo wurmen zich dagelijks door het winkeltje van Mohiy Marwan, op weg naar hun werk of weer terug naar huis. „Soms vragen ze of ze moeten betalen. Maar dat zou niet juist zijn.”

Mohiy Marwan en zijn zoon Khalid krabden zich achter de oren toen ze eind januari, zoals elke ochtend, hun kruidenierswinkeltje gingen openen. Dwars over de Kasr El Ainistraat, een stadsautosnelweg die dag en nacht vier stroken auto’s uitbraakt op het Tahrirplein, stond plots een metershoge muur van betonblokken. Die stond er de vorige avond nog niet toen ze de winkel sloten, dat wisten ze zeker.

Nu is het in het centrum van Kairo niet zo gek dat er van de ene op de andere dag plots een muur dwars over de straat staat. De muren zijn het antwoord van de Egyptische ordediensten op de voortdurende straatprotesten tegen het regime van president Morsi. Ze moeten het parlement en de vele ministeries in deze buurt ten zuiden van het Tahrirplein beschermen tegen de betogers.

Maar deze muur was bijzonder. Het winkeltje van de Marwans bevindt zich op een hoek. Het heeft twee deuren: eentje komt uit op de Kasr El Ainistraat, de ander op de zijstraat Saad Zaghloul. En tussen die twee deuren staat nu dus die muur.

„We wisten eerst niet goed wat we moesten doen”, zegt de 20-jarige Khalid. „Een van de deuren was buiten dienst: er stonden dozen met water tegenaan. Maar al snel stonden er mensen voor die deur te gebaren of we hem niet konden openen. Dat hebben we toen maar gedaan.”

Volgens Amor Eletrebi, een buurtbewoner die elke dag door de winkel heenloopt, was het een oude man die er voor zorgde dat Mohiy overstag ging. „Hij vroeg hem of hij de deur niet kon openen omdat de omweg voor hem teveel was. De rest is toen gevolgd.”

In chaotisch Kairo, waar iedereen elkaar voortdurend de weg vraagt, duurde het niet lang of iedereen wist van het winkeltje dat de route naar het werk of naar huis zoveel korter maakte. Het is nu een van de schakels in het hindernissenparcours dat is ontstaan rond de vele oproermuren. In totaal staan er in deze buurt zo’n tien muren. Een aantal muren werd al door de betogers gesloopt. Andere zijn een dankbaar canvas voor graffiti.

Een eind verderop, naast de Amerikaanse ambassade, hebben handige jongens een gat geslagen in de belendende muur van een oude villa. Het gebouw deed dienst als school – tot het meermaals in brand werd gestoken en werd geplunderd tijdens de rellen. Vooral tijdens de ochtend- en middagspits ontstaan ook daar soms lange rijen van huisvrouwen met boodschappen en ambtenaren met pak en aktentas die hun beurt afwachten om door het gat te kruipen.

Ook voor het winkeltje van de Marwans is het vaak aanschuiven. De politie wilde een tijd geleden een handje helpen door bij elke deur een agent op te stellen om het voetgangersverkeer te regelen. „Maar het liep helemaal in het honderd”, zegt Mohiy. „Mensen die iets wilden kopen mochten plots niet meer binnen en gingen dan maar naar een andere winkel. We hebben de politie gevraagd ermee op te houden.”

Hoeveel mensen er sinds januari al via het winkeltje van de Marwans zijn gepasseerd, is niet meer te tellen. Het zijn er zeker duizenden per dag. En het zijn lang niet alleen de buurtbewoners of de werknemers van de ministeries die van de sluipweg gebruikmaken.

Aan het eind van de straat bevindt zich immers de ‘Mogamma’: een gedrocht uit de tijd dat men het een goed idee vond om alle administratieve taken te centraliseren in één gekmakend gebouw. Elke Egyptenaar moet er in zijn leven wel eens zijn voor een formulier. „Soms heb ik heb het gevoel dat heel Egypte door onze winkel loopt”, zucht Khalid.

Zijn dagtaak ziet er nu heel anders uit dan voorheen. Khalid moet het voetgangersverkeer in goede banen leiden en hij moet uitkijken of niemand iets steelt. „We hebben een aantal koelkasten moeten verplaatsen om de doorstroming te verbeteren. En we moeten voortdurend schoonmaken.”

Vanachter zijn kassa kijkt vader Mohiy, 49, gelaten toe. Slechts af en toe stopt er iemand om iets te kopen. De meeste mensen lopen gehaast door. „Soms schamen de mensen zich een beetje. Dan vragen ze of ze moeten betalen of dat ze misschien iets moeten kopen om door te mogen. Ik zeg altijd dat ze gewoon mogen doorlopen.”

Elke dag is er wel een grapjas die in het voorbijlopen zegt dat ze beter kunnen stoppen met de winkel en gewoon één pond per voorbijganger kunnen vragen. „We hebben daar even aan gedacht in het begin”, zegt Mohiy. „Het zijn echt wel heel veel mensen, en niet iedereen is even respectvol. Maar het zou niet juist zijn.”

Aan sluiten hebben ze ook gedacht. De massa voorbijgangers resulteert namelijk niet in meer winst. Integendeel. Als je ziet hoe mensen die wel iets willen kopen soms moeten worstelen om de koelkast te openen, is dat begrijpelijk. De schappen zijn ook niet gevuld: omdat veel leveranciers niet meer willen komen door de verkeersdrukte in de wijk moet Khalid zelf inkopen doen.

Maar sluiten was geen optie, zegt Mohiy. „We zijn een paar keer dicht geweest. Eén keer omdat ik ziek in bed lag: de telefoon stond roodgloeiend van de mensen die belden om te vragen wanneer de winkel nu open ging. Andere keren was het omdat er gevochten werd tussen betogers en de politie. Dan beschuldigden mensen ons ervan dat de politie ons betaalt om te sluiten, en of ze soms een collecte moesten doen.”

Nee, het is gewoon makkelijker om open te blijven. En er staat wel iets tegenover, geeft Mohiy toe. Hij is een beetje een beroemdheid geworden. „Veel mensen zeggen in het passeren dat ze voor mij gaan bidden. Anderen vervloeken president Morsi omdat ze vinden dat al dit ongemak zijn schuld is.”

Dat laatste is aan Mohiy niet besteed. Toen de Dostourpartij van oppositieleider Mohammed ElBaradei onlangs kwam polsen of Mohiy niet op hun lijst wilde staan bij de volgende verkiezingen, stuurde hij hen weg.

„De oppositie noemt zichzelf het Nationaal Reddingsfront. Ik noem hen het Nationaal Verwoestingsfonds”, gromt Mohiy. Hij heeft voor Morsi gestemd en hij steunt hem nog steeds. „Het is niet Morsi’s fout dat hij deze puinhoop heeft geërfd. We moeten hem een kans geven.”

Het ministerie van Binnenlandse Zaken, waaronder de politie en dus ook het muurbeleid valt, kan in zijn ogen op minder genade rekenen. „Ik heb eraan gedacht om aan de ene deur de Egyptische vlag te hangen en aan de andere de Israëlische vlag. Want zo voelt het soms: alsof we in bezet gebied wonen.”

Toen de muur er pas stond, hebben de winkeliers uit de buurt geld bij elkaar gelegd om twee spandoeken te laten maken met daarop de vraag om de muur weg te halen. „We weten dat de minister van Binnenlandse Zaken hier elke dag voorbij komt in zijn konvooi”, zegt Khalid. „Maar hij is nog nooit gestopt.”

De spandoeken zijn inmiddels allang weggewaaid, en Mohiy en Khalid hebben de hoop opgegeven dat er naar hen geluisterd zal worden.

Misschien wordt er ooit wel een film gemaakt over het winkeltje op de hoek van de Kasr El Ainistraat.

In afwachting daarvan zijn er al de vele anekdotes. Zoals die keer toen de oproerpolitie kwam vragen of ze het erg vonden als zij via de winkel passeerden. Minuten later draafden er wel driehonderd oproeragenten in vol ornaat door de zaak op weg naar nog maar eens een rel.

Of die dag dat er een notenverkoper voor de deur stond met een meetlat. Khalid: „Hij heeft de deuren en de doorgang gemeten om te kijken of hij er met zijn karretje doorheen kon. Dat ging net. Sindsdien komt hij hier elke dag langs.”