Geen werken aan Vrije Universiteit

Het beleid om van de VU een bedrijf te maken, faalt, stelt Matthias van Rossum vast. Toch houdt de Raad van Toezicht vast aan de inslagen koers.

Feeën werven voor een feest bij de opening van het Academisch Jaar, 3 september 2012 aan de Vrije Universiteit (VU) Foto Patrick Post/HH

De aanstelling van Frank van der Duyn Schouten, de nieuwe rector magnificus van de Vrije Universiteit, is symptomatisch voor de ontsporende bestuurscultuur aan de Nederlandse universiteiten. Dat de Raad van Toezicht de eigen universiteit amper bij de benoeming betrekt, is betreurenswaardig. Schadelijker is dat gekozen wordt voor een rector die aan de Universiteit Tilburg medeverantwoordelijk was voor de flexibilisering van het personeelsbeleid en het aanjagen van een prestatiecultuur, die op een dood spoor aan het belanden is en wetenschapsfraudeurs als de Tilburgse cijfergoochelaar Diederik Stapel in de kaart speelt.

Toch is de aanstelling vooral om redenen van structuur verontrustend. De komst van Van der Duyn Schouten zal geen oplossing brengen. De zogeheten bestuurscrisis, die reden was voor zijn aanstelling, is namelijk geen bestuurlijke crisis. De term ‘bestuurscrisis’ wekt de indruk dat de positie van bestuur en toezichthouders in gevaar is, en dat geen consistent beleid wordt uitgevoerd.

Niets is minder waar. Het drama dat zich aan de Vrije Universiteit voltrekt, is juist het directe gevolg van het bedrijfsmatige beleid dat het bestuur sinds het aantreden van collegevoorzitter René Smit voorstaat. Met de snelle aanstelling van de nieuwe rector benadrukt de Raad van Toezicht dat zij deze koers ondersteunt en doorzet.

Van der Duyn Schouten wordt deel van een bestuur dat vasthoudt aan een beleid dat de oorzaak is van de verslechterende bestuurlijke verhoudingen en woede onder personeel en studenten.

Het beleid van het universiteitsbestuur onder Smit is gericht op grootschalige groei en het reorganiseren van de VU naar bedrijfsmatig model. Ondersteuning moet worden gecentraliseerd en gedigitaliseerd. Diensten zijn uitbesteed aan externe bedrijven. Het ondersteunend personeelsbestand moet dit jaar worden gehalveerd – er vallen ontslagen.

Financieel is het behoudende beleid van vroeger losgelaten. Nieuwe gebouwen zijn neergezet en verhuurd aan andere onderwijsinstellingen. In een grootschalig verbouwingstraject worden wetenschappers nu verplaatst naar flexwerkplekken. Personeelsbeleid betekende vooral flexibiliseren, controleren en het binnenhalen van managers van buiten de universitaire wereld.

Deze koers faalt opzichtig. De digitaliseringsprojecten waar de reorganisatie sterk op leunt, hebben achterstand opgelopen. Systemen die in een eerdere fase waren opgeleverd, vertoonden zware gebreken. Het gevolg was dat facultaire ondersteuners overuren maakten om de administratie op orde te houden. Voor enkele onderwijsvisitaties bleken de benodigde gegevens niet gemakkelijk leverbaar, en moesten docenten in hun persoonlijke archieven graven.

Ondanks het zichtbare gebrek aan menskracht is vorige week het besluit genomen om de dienst ICT met gedwongen ontslagen verder in te krimpen. Daarna zijn meer diensten aan de beurt.

Deze bezuinigingen worden doorgevoerd op basis van financiële argumenten, die door experts zijn bekritiseerd. Het bestuur verklaart de tekorten met Haagse besluitvorming. Het blijft doorgaans stil over het verlies van universitair spaargeld bij IJslandse banken en over de aankoop van derivaten, die ondertussen zwaar onder water staan. De vastgoedlasten zijn gestegen door nieuw- en verbouw. En alsof dat nog niet genoeg is, wordt de begroting jaarlijks met miljoenen overschreden door de inhuur van externe adviseurs.

Het wetenschappelijk en ondersteunend personeel werkt ondertussen grotendeels op tijdelijke dienstverbanden. Van academisch loopbaanbeleid is eigenlijk geen sprake. Op plekken waar nieuwe managers zijn geïntroduceerd, doken geruchten op over een ‘angstcultuur’. Studenten roeren zich steeds vaker in hun zorgen over schaalvergroting, anonimiteit, kwaliteitsverlies en zelfs de verhoogde stress onder docenten. Medewerkers en studenten voelen zich onteigend en herkennen zich niet in de desastreuze en vooral autocratische koers van bestuur en toezichthouders.

De crisis aan de VU is dan ook geen ‘bestuurscrisis’: het is de dramatische consequentie van een bestuur dat van een universiteit een bedrijf wil maken. Het beleid dat onderwijs, onderzoek en ondersteunende diensten moet omvormen tot inwisselbaar product faalt echter zichtbaar en de kritiek groeit. Toch houdt de Raad van Toezicht met de benoeming van de nieuwe rector stug vast aan deze koers. Voorzitter Veerman verklaarde niet open te staan voor geluiden van werknemers. Bij de flitsaanstelling van de nieuwe rector was geen ruimte voor enige invloed uit de academische gemeenschap.

Vorige maand waren bestuur en toezichthouders bovendien opvallend afwezig bij het symposium ‘De managersuniversiteit is failliet’. Enkele honderden werknemers en studenten brachten daar in praktijk wat een kritische academische gemeenschap hoort te doen. Zij bespraken niet alleen hun kritiek, maar vooral ook oplossingen en alternatieven voor de organisatie van hun universiteit. Zeggenschap bleek daarbij het essentiële ingrediënt.

De problemen van het huidige bedrijfsmatige bestuursmodel van de Nederlandse universiteit zijn duidelijk en urgent. Het is dus tijd voor een wisseling van de wacht – maar dan wel een echte.

Matthias van Rossum werkt aan de Vrije Universiteit van Amsterdam als onderzoeker. Hij is bestuurslid bij Abvakabo VU.