Foute vragen bij eindexamen Nederlands

Op de eindexamenvragen zijn soms wel drie tot vier antwoorden goed, vindt taalwetenschapper Marc van Oostendorp.

Tienduizenden vwo-scholieren hebben deze week hun eindexamen Nederlands gedaan. Volgens het College van Examens toetst het examen de leesvaardigheid en de argumentatievaardigheid van scholieren. Maar wie het leest – op internet, inclusief ‘correctievoorschrift’ voor de leraren – slaat de schrik om het hart.

Het examen lijkt vooral de intellectuele braafheid van leerlingen te toetsen. Niet om goed en kritisch na te denken over een tekst, maar om zonder argumenten aan te wijzen wat de commissie waarschijnlijk als ‘het beste’ antwoord beschouwt – vaak in een meerkeuzevraag want die kan efficiënt worden nagekeken.

De eerste tekst die de scholieren dit jaar voorgelegd kregen, was een Huizingalezing uit 2009 van de Amsterdamse hoogleraar Marita Mathijsen over het belang van historisch besef. Daarin stond de volgende passage: ‘Dat wil niet zeggen dat iedereen zich dit [het feit dat niets bestaat zonder een geschiedenis, MvO] ook realiseert. Als bijvoorbeeld voetbalhooligans tribunes van het Feyenoordstadion slopen, beseffen ze niet dat ze daarmee een monument van voetbalhistorie verwoesten. Het historisch besef is geen vanzelfsprekendheid. Wanneer ontstaat het historisch besef eigenlijk?’

Over deze onberispelijke alinea kregen de leerlingen de volgende vraag voorgelegd:

‘Wat voor drogredenering kan de kritische lezer zien [in deze alinea]?’

A cirkelredenering

B onjuist oorzakelijk verband

C overhaaste generalisatie

D verschuiven van de bewijslast

Volgens de examinatoren is het juiste antwoord: C. Dat doet de vraag rijzen wat dat dan voor ‘kritische lezer’ is, die hier een overhaaste generalisatie ziet. Volgens de regels van de logica heeft hij in ieder geval ongelijk. Mathijsens stelling is dat niet iedereen zich een en ander realiseert. Om dat te bewijzen volstaat logischerwijs één tegenvoorbeeld. Als er één persoon is die iets niet doet, doet dus niet iedereen het. Zodra je een zo iemand hebt aangewezen, is je stelling bewezen. Dat is precies wat Mathijsen doet – wie is er nu overhaast?

Als het niet van belang is of de kritische lezer ook gelijk heeft met zijn kritiek, is natuurlijk ieder antwoord goed. En dat is het mogelijk ook – het hangt van je onderbouwing af. Het is absurd om een toekomstige lichting studenten een meerkeuzevraag voor te leggen waarop ieder antwoord strikt genomen fout is. Je zou willen weten wat de argumenten van de leerlingen zijn om A, B, C of D te kiezen. Het examen wordt immers geacht argumentatieve vaardigheden te toetsen, niet om je voor te stellen wat de meest waarschijnlijke kronkel is in het hoofd van de ‘kritische lezers’ van het College voor Examens. Maar voor argumenten is nu juist geen ruimte op het examenblad.

Dat geldt ook voor de andere vragen. Hier is de inleiding van Mathijsens artikel: ‘Ik heb een oud hondje, Binkie. Hij is blind. Hij kan zich alleen maar redden door in twee tijden te leven. Als hij van zijn mand naar de etensbak loopt, leeft hij in het heden van zijn honger en in het verleden van toen hij nog kon zien. Hij kan zijn etensbak vinden en overleven dankzij het feit dat hij zijn verleden actief maakt. In principe zijn wij mensen net als Binkie afhankelijk van het verleden om te overleven. We zijn allemaal blind en varen op ons verleden om voort te kunnen. Elke handeling die we uitvoeren, heeft een vracht aan geschiedenis achter zich. (...)’

Over deze inleiding hebben de examinatoren ook een vraag: ‘Een schrijver kan in de inleiding van een tekst op verschillende manieren de aandacht van de lezers proberen te trekken. Welk van onderstaande middelen wordt in de inleiding van de tekst ‘Ik was, dus ik ben’ vooral gebruikt?’ A bij de actualiteit aansluiten

B een grappige toonzetting hanteren

C een onverwachte vergelijking maken

D een prikkelende stelling poneren

E het belang van het onderwerp benadrukken

Het is een beetje vreemd dat de vraag spreekt over een schrijver en lezers, terwijl het gaat om een lezing. Maar wat is nu het ‘juiste’ antwoord? Volgens het correctievoorschrift is dat C.

Waarom? Mathijsens toon is op zijn minst licht humoristisch, met dat Binkie en zijn blinde gehobbel naar zijn voederbak. Bovendien kun je de stelling dat wij mensen afhankelijk zijn van het verleden om te overleven, prikkelend noemen. Voor de antwoorden B en D lijkt me dus in ieder geval wat te zeggen. Bovendien, wie zal zeggen dat de vergelijking tussen mens en hond onverwacht, dus C, is: ze bestaat al zolang als wij wolven getemd hebben. En wie zal durven beweren dat het belang van het onderwerp niet wordt benadrukt als wordt gezegd dat het ‘nodig is om te overleven’?

Minstens vier van de vijf antwoorden zijn dus aanvaardbaar. Hoe kunnen we nu bepalen wat de belangrijkste is – dat er ‘vooral’ een vergelijking wordt gebruikt? Ik zou het niet weten, en ik zou eigenlijk ook niet weten waarom het van belang is om zo’n rangorde aan te brengen. Wie goed leest, kan juist meer ontdekken in een tekst dan alleen antwoord C.

Een goede lezer ziet in een tekst niet alleen één aankruisbaar antwoord. Dus passen geen meerkeuzevragen, hoe makkelijk die ook kunnen worden nagekeken. Het antwoord op open vragen mag overigens meestal ook niet langer zijn dan 20 of 30 woorden: te weinig voor nuance. We moeten de nieuwe generatie opleiden om te laten zien dat ze de tekst begrepen hebben én er zelf over hebben nagedacht. Dan past het maar niet in een strak correctievoorschrift.

Marc van Oostendorp is hoogleraar Taalwetenschap aan de Universiteit Leiden en onderzoeker op het Meertens Instituut.