Familieleden zijn vaak geen bloedverwanten

Marshall Sahlins, . University of Chicago Press, 88 blz., € 20,99

Iedere aflevering van het NCRV-programma DNA Onbekend heeft een spannend hoogtepunt. Is hij echt haar vader? Zijn zij nu broers of niet? Laatst ging het over twee vrouwen die al heel lang als zussen door het leven gingen, maar door hardnekkige geruchten waren gaan twijfelen. Mogelijk was één van hen in het ziekenhuis verwisseld met een andere baby. Ze wilden ‘de waarheid’ weten en DNA liegt niet. Nadat de test had uitgewezen dat ze geen biologische zusters waren, vloeiden eerst tranen en toen omarmden ze elkaar: ‘En toch zijn we familie.’

Wat is dat eigenlijk, familie? Wie horen erbij? Bloedverwanten, aanverwanten, pleegkinderen, adoptieouders? Verwante geesten? Broeders en zusters in het geloof? Ook wij westerlingen, met ons geïndividualiseerde, biologische wereldbeeld, rekenen een verrassend brede categorie mensen tot ‘familie’.

Familie is namelijk, behalve een genealogisch gegeven, ook een sociale constructie. In zijn nieuwe boek formuleert de Amerikaanse antropoloog Marshall Sahlins het zo: ‘Iedere relatie die het gevolg is van voortplanting of afstamming kan ook postnataal met een daartoe geëigende culturele handeling tot stand worden gebracht.’ Het is maar wat de groep vindt en hoe zij een en ander ritueel of juridisch vormgeeft. Verwantschap (‘familie’), zegt Sahlins, is geen biologisch maar een cultureel verschijnsel.

Sahlins (Chicago, 1930), heeft zijn sporen verdiend in de Amerikaanse antropologie en kent zijn bronnen. Dit compacte boekje – het telt maar 88 pagina’s tekst – staat vol interessante voorbeelden, uit tientallen verschillende culturen.

Een eeuw lang etnografisch onderzoek heeft laten zien dat gemeenschappen overal ter wereld ‘familie’ heel verschillend definiëren. Toch is het een universeel verschijnsel dat ook niet-bloedverwanten ertoe worden gerekend. ‘Geconstrueerde verwantschapsrelaties’, zegt Sahlins, ‘genieten vaak de voorkeur boven biologische banden. Gesloten broederschappen kunnen hechter zijn dan de banden tussen geboren broers’.

Er zijn allerlei manieren om een verwantschapsrelatie te construeren: door reïncarnatie, door adoptie of door naamgeving. En er zijn veel motieven: omdat twee kinderen op dezelfde dag geboren worden; omdat mensen samenwerken, voedsel delen, van dezelfde grond of uit dezelfde haard eten, in hetzelfde huis wonen, dezelfde herinneringen delen of hetzelfde leed hebben doorgemaakt.

Twee Inuit die samen dagen doorbrachten in een op drift geraakte kano op een wilde zee, waren voortaan broers. De Korowai van westelijk Nieuw Guinea gebruiken tegenover vreemden al aanspreekvormen voor verwanten als ze met hen in een geanimeerd gesprek verwikkeld raken. De Maori kennen een oud verhaal waarin twee broers gescheiden opgroeien. Later in hun leven brengt, door een noodlottig toeval, de een de ander om. In de moraal van het verhaal speelt hun broer-zijn een ondergeschikte rol. Bloedverwantschap is voor de Maori als een tekening in onzichtbare inkt: hij moet eerst zichtbaar worden gemaakt door samen te leven.

Sahlins definieert verwantschap als ‘mutuality of being’, deel uitmaken van elkaars wezen, van elkaars bestaan. Hij laat zien dat voorstellingen van verwantschap in het denken van veel niet-westerse volken heel radicaal zijn: verwanten zijn niet alleen leden van dezelfde groep, maar ondeelbare personages. Zo gebruiken Melanesiërs van Nieuw-Caledonië en Fiji één term voor grootouder en kleinkind, en één voor oom en neef. Zij praten over deze duo’s als één persoon.

Het is fascinerende materie en Sahlins bouwt een uitstekend gedocumenteerd betoog op, maar zijn boekje is jammer genoeg niet erg toegankelijk. Het is de kracht van de culturele antropologie dat ze principes formuleert die cultuurgrenzen overschrijden. Dat doet ze met abstracte metabegrippen: ‘sociality’, ‘performativity’. Dat maakt generaliseren mogelijk, maar lezen voor niet-ingewijden moeilijk.

    • Dirk Vlasblom