Een troetel op groeihormonen

Ze hebben de Fiat 500 opgeblazen. Bas van Putten vindt hem nog steeds vertederend.

Directeur Stephan Haaker van Autobedrijf Gebr. Haaker in Badhoevedorp met de Fiat 500L. Lars van den Brink

In een tijd van grote vergezichten verlaat geen auto de fabriek zonder concept. Aan de Fiat 500L wijdde de fabrikant zelfs een boekje waarin de bedoelingen van het multiple purpose vehicle-achtige familiebusje worden uitgelegd. Die zijn voortreffelijk. „De Fiat 500L presenteert zichzelf als ‘communicatieve auto’, die openstaat om direct contact te maken met de gebruiker”. Uit die woorden maak ik op dat de 500 is bedoeld om mee te rijden.

Gaandeweg lijkt zijn plan van aanpak op een doctoraalscriptie filosofie. De 500L schijnt iets van doen te hebben met de denkwereld van Baudrillard en Barthes, respectievelijk de ideeën van de antropoloog André Leroi-Gourhan „over de kwaliteiten van een gebruiksvoorwerp”. Daarna voert Fiat godbetert Le Corbusier op, over het huis als „een machine om in te wonen”. Dat moet een knap autootje zijn.

Op bladzijde 78 staat niettemin een zin die hout snijdt. De 500L wordt er gekwalificeerd als vaandeldrager van „een nieuwe strategie, terugkerend naar ‘zachtere’ en meer verenigbare vormen, minder agressie en minder overpowered motorisering; zoeken naar een idee, waarmee de automobiel ons in aanraking brengt met positieve waarden en niet het tegengestelde daarvan”.

Daar staan twee dingen. Eén: auto’s zijn agressief en hedonistisch. Twee: wij van Fiat doen niet meer mee, wij gaan beschaafde auto’s bouwen. Laat ik dat voornemen nu eens van harte fiatteren. Design is oorlogstaal geworden. De bodybuilderlijven van moderne auto’s belichamen opgekropt geweld dat generaties automobilisten nooit hebben kunnen lozen in de loopgraven. De 500L sluit vrede met het harmoniemodel. Ze hebben hem rond en zacht gemaakt als zijn stamvader en naamgever, de voor alle jongens en meisjes van acht tot tachtig ultiem vertederende 500. Hij is groot maar lief. Hij zou je vriendje kunnen zijn.

Hij zou 600 moeten heten, oppert een vrachtwagenchauffeur die in historisch perspectief de spijker op de kop slaat. De L knoopt aan bij de architectuur van twee beroemde Fiats. De eerste is de 600 Multipla (1956-1965), een merkwaardig busje met een schuin aflopende achterkant en de motor achterin. Model twee is de mpv die iedereen afschuwelijk vindt behalve ik; die andere Multipla (1999-2010) met zijn excentriek gelaagde neus en zes stoelen, drie voor en drie achter. Ontwerper Roberto Giolito tekende als hoofd Fiat Design ook de 500L, die hem als variant op een bestaande auto minder armslag liet dan het onvervaarde Multipla-project; als mpv moest de 500 wel dat retro-knuffelbeertje blijven. Van de 500 leent de L overigens alleen het neusje, dat door de uitvergroting van het origineel wat uit proportie is geraakt. Het is alsof iemand een ballon met het 500-gezichtje heeft opgeblazen. Giolito heeft zich niettemin bekwaam gekweten van zijn taak het vertederingseffect van kleine broer intact te houden.

De groeihormonen hebben een auto opgeleverd waarin vijf volwassenen met een boekenkist vol denkers comfortabel naar een filosofiecursus kunnen reizen. De cursusprijs verdienen ze snel terug met een verbruik van 1 op 20, en het geluid van de 1.246 cc metende MultiJet-diesel zal het filosofische discours niet in de weg zitten. Het is een zacht snorrend motortje met voldoende trekkracht om de 1.300 kilo zware troetel voort te stuwen met de vriendelijke kalmte die zijn scheppers in gedachten hadden.

Zachtmoedig

Die doctoraalscriptie is niet voor niets geweest; zijn zachtmoedigheid slaat over op je rijstijl. Het beperkte vermogen van 85 pk smoort sportieve ambities in de kiem, maar een koppel van 200 Newtonmeter, vanaf 1.500 toeren beschikbaar, verleent de auto zo’n souplesse dat je al bij 50 kilometer per uur naar vijf kunt schakelen. De auto is overigens ook te koop met een grotere diesel en de charmante tweecilinder TwinAir-turbo van de 500.

Slim is hij inderdaad. De achterbank is in lengte verstelbaar, wat je de keus geeft tussen meer beenruimte en een groter bagageruim. Door vanaf de bijrijdersstoel van voor naar achter alles neer te klappen ontstaat een Ikea-vriendelijk laadruim met een lengte van twee meter veertig. Onder de laadvloer zit een apart bergvak waarin de bosmens na de wandeling zijn vuile laarzen kwijt kan.

En zo geschiedt het dat ik ’s avonds in Groningen tevreden in het kielzog blijf van een Opel-rijder die ik achter het stuur van een normale auto had vervloekt. Zal ik inhalen? Ach nee, hij spaart net zo lekker. Het verbruiksdisplay geeft 1 op 24 aan. Beertje, lieve schat, je hebt het te goed met ons voor.